elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weren

weren , weeren , (werkwoord) , verweeren.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
weren , weren , weeren , (werkwoord) , Zich weren, niet alleen voor in de weer zijn, maar ook voor hetgeen men mede in de wandeling zegt, zich uitsloven, zijn best doen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
weren , wèren , (zwak werkwoord) , weren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
weren , weeren , toestand van het weder; ’t weert’r goud op = het weder is daarvoor gunstig; as ’t nijt goud op mien zoad weert den weert’t goud op mien boeskool (wat men den boer in den mond wordt gelegd: als het weder niet goed is voor het graan dan is het toch goed voor de boerekool), eene zegswijs, zooveel als: de vele regen is toch nog altijd voor enkele gewassen goed; ’t ken roar as t’r goud op weert. fig. = er is niets zoo wonderlijk of men ziet het gebeuren, een stuivertje kan raar rollen, de fortuin is rond, enz. Vgl. opweeren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weren , weuren , woelen; weuren in ʼt ber (Oldampt), van kinderen, als zij niet kunnen slapen. (Vgl. ruden in’t ber = woelen in ʼt bed, in den slaap.) Zie: weurîg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weren , weren , (zwak werkwoord, intransitief) , Weer zijn of worden, meestal met een nadere bepaling omtrent de gesteldheid van het weer. || As ’t nou maar ’en beetje weren wil (wat goed weer blijft), krijgen we ’et hooi mooi droog binnen. ’Et weert goed op de moerbeien (’t is er gunstig weer voor). – Zo ook elders: ook in Oost-Friesl. (zie KOOLMAN 3, 540).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
weren , weeren* , goud kan wegblijven zonder verzwakking van de beteekenis; ook bij uitbreiding: de omstandigheden zijn gunstig; zoo bij v. Dale (4e druk): het weert op zijn dak (gewestelijk) = ʼt loopt hem mede, zie dak *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
weren , zich wiäären , zich weren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
weren , wearn , werkwoord, zwak , 1 worstelen, tot vermaak of oefening, 2 zich verdedigen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
weren , weuren , onrustig bewegen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
weren , waere , waerde zich, haet zich gewaert , zich waere, zich weren. Doe mós dich waere, angesj wurste noots ’ne kael: je moet je weren, anders wordt je nooit een kerel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
weren , weren , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = (af)lopen Het gaoren meug niet van de boom ofweren bij het weven (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
weren , weren , wèren , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook wèren (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. weren Een net um de vogels te weren (Klv), Geesien kan ’s aovends de slaop haost niet weren (Rol) 2. (wederk.) zich weren Hij weerde hum duchtig (Ruw), Ik weeit zeker dat e zuk gooud weren zal hard zal werken (Eex), Wij hebt oes best weerd vanaovend veel gepresteerd (Sle), Hij hef zich goed ewèerd flink toegetast bij het eten (Hgv) 3. ruzie maken, klieren, drenzen, stoeien (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Lig toch niet zo te wèren klieren (Die), Holdt op te weren, straks doej mekaar zeer stoeien (Zdw), Proot non is gewoon en zit niet altied te wèren drenzen (Hijk), Ze zit aal tegen mekaar an te wèren (Bei), z. ook dweren 4. druk bezig zijn (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij hebt een paar dagen etaogd en eweerd, want ook de kasten mussen lèeg (ov:Bro), Hij wèerde hen en weerdèn net een angescheuten haze (po) 5. dwarsliggen (Zuidoost-Drents veengebied) Dat gaile spek, dat weert zo daartegen komt de maag in opstand (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
weren , weren , zwak werkwoord, onpersoonlijk , weer zijn Het weert niet best op het etgruun (Nor), ...op de tuun (Oos), Het weert nogal wat hen het weer weet niet wat het wil (Wap), (fig.) Het weert niet zo best tussen die beiden er is ruzie (Klv) *Zoas het aswoensdag weert, weert het de halve vasten (Bco); Weert het nich op het heui, dan wol op het mous (Ros), ...dan wel op mien kool (Wap), ...dan weert het toch op het etgruin (Eek); Het weert niet op de mulder er is geen wind (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
weren , weren , zich verweren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
weren , weren , werkwoord , 1. weren; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: (em weren) zich inspannen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
weren , weren , werkwoord , 1. zich voordoen van het weer in de genoemde kwaliteit, bijv. Et weert mooi henne het blijft maar mooi weer 2. zie werigen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
weren , weren , werkwoord , 1. zich weren, zich behoorlijk inzetten om te bereiken, zich verzetten 2. tegenhouden, de toegang, doorgang beletten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
weren , wère , wederkerend werkwoord , wèrde, gewèrd , inspannen , (zich inspannen) zich wère VB: Ich heb mich good môtte wère vuur dy zês keender groet te kriége.; weren (zich weren) zich wère VB: Es ze dich wêllen aofpizzele môs te dich mer wère.; zich wère verweren (zich verweren); zich wère VB: Wie klejn dat 'r wäor, 'r wèrde zich good.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
weren , wèère , weren. in de uitdrukking: “ij wèèr z’n èège”, “hij doet zijn best”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
weren , weren , zich weren, druk bezig zijn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
weren , wieëre , wieërtj, wieërdje, gewieërdj , zich wieëre, 1. zich weren 2. worstelen , Zie haet zich good gewieërdj toen ederein det tieënge häör zag.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
weren , wiëre , wiëre, zich , werkwoord , wiërtj, wiërdje, gewiërdj , tegenstand bieden, zich verzetten
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
weren , waêre , wieëre, weêre , werkwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; zich -, van repliek dienen, zich verdedigen, zich verzetten, zich weren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal