elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weten

weten , weetti? , Weet hy?
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
weten , wus , wist bijvoorbeeld dat wus ik nich = da wist ik niet.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
weten , wet , wet = weet; as doe raod wetst = als gij raad weet; hij wet raod; hij wet er ummers neet van; ze wet wal, doe wets wal, Gron. ze wijt wel, doe wijst wel. wedde = dat wedde = dat weet hij, Gron. Dat wijte; weste = weet gij, Gron. wijst, wijste = weet gij; en: gij weet; weste dan neet? = weet gij het dan niet? Staat voor: wet-ste, voor: wets-doe. wus = wist; wuzzen = wisten; Gron. wōs, wōz’, en: wōssen, wōzzen. Oostfr. wus, en: wussen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
weten , wéten , (sterk werkwoord) , wist, eweten , weten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
weten , wijten , waiten , (= weten), voor: merken, bespeuren, voelen; men ken d’r niks van an hōm wijten = men kan er niets van aan hem bespeuren, aan zijn gelaat, zijne geheele houding en zijne gesprekken, enz. is het niet merkbaar; men ken ’t wijten dat de doagen lengen = de dagen worden al merkbaar langer; men ken ’t wijten as de deur openstait = dan voelt men tocht; ik ken wel wijten da’k loopen heb = ik ben eenigszins moede van ’t loopen; wie kennen nog gijn beterschap wijten = wij kunnen nog geen beterschap bespeuren; ’k ken wel wijten da’k older wor; wijten loaten = aankondigen, van een bezoek of van een sterfgeval; zij hebben wijten loaten dat ze zöndag komen willen; ontvangersvolk loaten joe wijten ’t overlieden van heur jongste kind! (zegt de bode van vóór 50 jaren). (In ’t Nederlandsch zegt men wel: hij weet niets van de koude, enz.). Voor: echter geen zekerheid hebben, in: ’k wijt doarom nijt = mij lijkt het er naar, ik vermoed het, ik denk het wel maar dit is geen bewijs dat het gebeuren zal. – Op eene vraag als bv.: is hij rijk? - vertrokken? enz. is het antwoord: da’k wijt, nijt = mij is daarvan niets bekend, toch kan het wel zoo zijn. Zegswijs: dei ’t dut mout ’t wijten (die het doet moet het weten), zooveel als: ieder is verantwoordelijk voor zijne eigene daden, elk moet voor zich zelven toezien, maar waarin ligt opgesloten: ik zou anders handelen. – Is, onder kinderen, er een wat nieuwsgierig, dan is het bescheid: wil’t ’t wijten?steek doem in neers en loat ’t schijten! of: steek dien neus in ’t hondegat en loat ’t schijten! – Vervoeging: ik wijt, doe wijst (of: wijste), hij wijt; ik wōs (of: wus), doe wōst, hij wōs; wie wōssen, enz.
wij voor: wijt = weet, dat wij we wel = dat weten wij wel. Zoo ook: dat zij ie wel = dat ziet gij wel; dat mou’j’ wel, enz.
wij’k = weet ik; nō wij’k ’r (of: t’r) niks meer van = nu ben ik de kluts kwijt, nu weet ik niet meer wat ik er van zeggen of denken moet.
wijst, wijste, wijtst (Wildeboer) = weet gij, en: gij weet; wijst wel woar hij woont? wijst ’r niks van = gij weet er niets van; wijst ’r nijt van, hou mooi! enz. = gij kunt niet gelooven, hoe mooi! Drentsch weste, wets = weet gij.
wijde, wijte = weet hij; dat wijde nijt ins = dat weet hij zelfs niet.
wij’e, wijje, waije, wijtje = weet je? als stoplap, vooral onder het zeevolk. (Bij v. Dale: hij weet zijn weetje wel; hier zegt men: hij het zien wijtje wel); wijst wel wat!? (meervoud wijtje wel wat!?) = zal ik u eens wat zeggen? Meestal wanneer het een gezamenlijk overleg aangaat, en dan zooveel als: weet gij wat ons te doen staat? laat mij daaromtrent mijne meening zeggen.
wijtjewat, wijjewat voor: mijns bedenkens: wijtjewat, wie goan noa hoes! wijtjewat, wie hoalen dokter! wijtejewat, wie begunnen te eten, enz.
wōs = wist; ik wōs nijt dat doar ’n fledderbōs wōs = ik wist niet dat daar eene vlierstruik groeide; ik wōs nijt hou’t worde = ik kende den uitslag niet. Hoogduitsch wuchs, en: wuss; wussen, wōssen (Oldampt) = wisten.
wis, Ook onvoltooid verleden tijd van wijten = weten; ik wis = ik wōs = ik wist. – wis komt in beteekenis met het Hoogduitsch wohl (= wellicht, immers, misschien) overeen. Het woord heeft hier de stellige beteekenis van: gewis, verloren en is evenzeer verzwakt als in ’t Nederlandsche zeker, stellig, en: moeten, in: hij is zeker ziek; hij is stellig te laat gekomen, (hier zou men vast gebruiken, en ’t best terug geven door: hij zal wel ziek zijn, hij zal wel te laat gekomen zijn), en: hij moet ziek zijn naar ik hoor (= hij is wis zijk?) Nedersaksisch, Holsteinsch he het wisse geld? (= Groningsch hij het wis geld?); he is wisse nig klook? (= Groningsch hij ’s wis nijt goud wies?) = hij moet niet goed bij ’t verstand zijn.
’kwijtn’t, ik weet niet; ook: ik weet het niet; ’kwijtn’t woar é woont = ik weet niet waar hij woont; ’kwijtn’t of é komt = ik weet niet of hij komt; ’kwijtn’t! = ik moet mij daarop eerst goed bedenken, of: dat lijkt mij niet goed toe; ik weet niet wat ik daarvan zeggen moet, enz. – Op een vraag, bv.: is hij weggoan? is het onverschillig antwoord: ’kwijtn’t, maar ’t kan ook zijn: ’k wijt het nijt, moar ’k zōl ’t wel denken, of zoo iets. – In de volgende artt. wordt kwijt-nijt veelal tot ’kwijtn’t verkort.
’k wijt-nijt-hou (’k weet niet hoe), bijwoordelijke uitdrukking voor: zeer groot, bv.: hij zet mie doar ’n hoes van ’k wijt-nijt-hou! = hij bouwt daar een heel groot huis; zij het ’n swel op arm van kwijt-nijt-hou! = zij heeft een zweer op den arm, ik durf niet zeggen, hoe groot wel.
’k wijt-nijt-wat (’k weet niet wat), zooveel als bv.: eene som van belang, eene grote som; hij het ’r ’kwijt-nijt-wat veur geven = ’t heeft hem (betrekkelijk) veel geld gekost, hij heeft het duur betaald; ’k wōl ’kwijt-nijt-wat geven as’k ’t zijn har wel ’t doan = ’k had er veel voor over als ik gezien had wie de dader was; men zōl hem (den jongen) kwijt-nijt-wat doun! = ik weet wel niet wat straf die jongen (van mij) verdiend heeft; ’t was ’n lewai van ’kwijt-nijt-wat = zij maakten een helsch leven; ’t is zoo dreug as ’k wijt-nijt-wat = kurkdroog, zoo droog mogelijk.
’kwijt-nijt-woar (ik weet niet waar), voor: hier werkelijk of betrekkelijk ver van daan; hij ’s ’kwijt-nijt-woar van doan; men ken dat schijten ’kwijt-nijt-woar heuren; de bal rōlt ’kwijt-nijt-woar hen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weten , wōs* , wist: Hoogduitsch wusste; en = wies, groeide: Hoogduitsch wuchs.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
weten , wijt* , (bldz. 580): bijna in dezelfde beteekenis in ’t Nederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
weten , wijten* , zie ook: ’k wijt nijt * … enz. (bldz. 234 en 537); in ’t Nederlandsch zegt men wel: hij weet niets van de koude, enz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
weten  , weite , weten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
weten , weeten , wiètten , wus, eweeten; ik weete, dů weetst, hei weet, wi, i, zei weetet [wēt̥]; o.v.t. ik wus, dů wuist [wøĭs , weten. Bi mien weeten: voor zover ik weet.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
weten , weetn , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud verleden tijd: wus, verleden deelwoord: eweetn , weten. Dr of weetn, er van weten; ik weet’r neet lenger of, ik begrijp er niks meer van; biej minne weete, voorzover mij bekend
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
weten , wét , Dè wét gén man! Dat weet niemand; wee’k nie! Dat weet ik niet!; wétte wa…? Weet je wat…; wéttewel? Weet je! (stopwoordje); wéttenie? Weet je! (stopwoordje)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
weten , wete , werkwoord , in de zegswijze jij wete allemaar wat aârs, maar zelden wat goe(d)s, jij komt iedere keer weer met andere problemen of wensen aan. – Die (wie) niet beter weet, lacht om z’n oigen skeet, vermaning aan het adres van iemand die (met opzet) een wind laat en er zelf het meeste plezier in heeft. – Dat wéét (toch) wat, wat heeft dat veel voeten in de aarde, wat is dat toch een ellende. – Je moete wete, vaak gebruikt ‘stopzinnetje’ als men iets vertelt. | Je moete wete, ik had gien raaibewois bai m’n, dat ik zat niet lekker achter ’t stuur.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
weten , weite , wós, haet geweite , weten. Hae wit, woo haas hup, of: woo Bartel de wien tap: hij weet, waar Abraham de mosterd haalt. Wae wit wiehaas hup: wie weet hoe een dubbeltje rollen kan. Wae wit woo Wullem Woltesj woont, Wullem Woltesj woont wiet wėch
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
weten , weejt , weejte , zelfstandig naamwoord , we(e)t(en). 1. ’t Is vur jou ’n vraog, vur mèn ’n weejt. Ik weet ik weet wat jij niet weet. 2. Alles is ’ne weejt. Behalve vlòòje vange. Dè’s ’n gaawighèd (handigheid, snelheid). 3. Nèrges af geweejte hèbbe betekent: er niet onder geleden hebben. 4. Een algemene uitdrukking is: Dègge bedankt zèt, dè witte. Je weet dat ik je dankbaar ben, het spreekt vanzelf.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
weten , wies , wiese , werkwoord , wist(en). Ze wiesse van niks. Ze deden of hun neus bloedde. Asse marres wiese wèsse wòn. Als ze maar eens wisten wat ze wilden.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
weten , weten , wus, eweten , weten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
weten , weten , wieten, weeiten, weiten, waiten , sterk werkwoord, overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook wieten (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), weeiten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), weiten (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), waiten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. weten Dat is mien meid, dat weej bliksem goed (Hav), Zij wus al het neis oet het loug (Ros), Hij bewèerde dat hij het wus (Hgv), Hij wet nargens van is niet op de hoogte (Die), Aj zo’n bedrief kopen wilt, meuj nog al wat weiten moet je capaciteiten hebben (Bov), Nou moej wal weten waj wilt (Hijk), Ik wus niet wat ik er an hadde (Dro), Weej nog een melker veur oens? (Ruw), Aj zien ofkomst iens wussen! (Zdw), Dat is een halve gare, dei weit nich beter (Bco), Hij wet altied alles beter (And), Ik zul het met hum wal weten ik zou wel raad met hem weten (Sle), Ik zal het zelf wal weten doe mijn eigen zin (Emm), Je mout het zölf mor waiten zelf de consequenties dragen (Eev), Most zulf mor waiten wast dust je moet zelf maar weten wat je doet (Erf), Hij wil het niet weten, mar hij hef er de haand ook in had hij wil het niet erkennen (Bro), Wat heb ik daor met te maoken; wel het dut, mot het weiten (Row), Ik wait nog wel een kruderig verhaol ken (Eco), Of hij dat wal kan, weit ik nog nich zo vast daar ben ik niet zeker van (Bov), Het holt is zo meur as ik weit niet wat (Een), Wie konden het schot ik weit niet woor heuren overal wel horen (Erf), Hij kun hum wal ik weit nich wat doun van alles en nog wat aandoen (Bov), Die wet nooit van weggaon (Eri), Hij wet wel van anpakken pakt flink aan (Ruw), Hij dee dat tegen beter wieten in (Pdh), Het wicht wil niks meer van hom waiten wil niets meer met hem te maken hebben (Vtm), Die kerel wus niet of hie schieten of miegen wol was besluiteloos (Rol), Hij wet wel van oost weet het precies (Hgv), Geld, dat wet wat speelt een grote rol (Sle), (zelfst.) Naor mien weiten woont hij door gunders voor zover ik weet (Erf) 2. merken Ik kan wel weten dat ik older (Mep), An de rimpels, daor kuj het an weiten (Bco), Ik kun zo wel wieten, dat e een mooi sputter op had (Dro), Ie kunt wel weten dat er een r in de maond is (Rui), IJ zaten der in, eer daj het wuzzen voor je erop verdacht was (Eex), A’k de koenen wat meer kört geve, kan ik het wel weten in de malk (Eli), Dat hef e eweten dat is hem goed duidelijk gemaakt, of: het is hem slecht bekomen (Hgv) 3. vertrouwen hebben Die neie caféholder, daor wee’k niet van of dat wal goedkomp heb ik geen vertrouwen in (Sle), Daor wee’k niks van, het liekt mij niks toe (Zwig), 4. (met ontkenning) kunnen verdragen Daor muj niks van weten as jongkerel, daor muj tegen kunnen (Zdw) 5. in Ik wil den Gèert hier neet in hoes weten, hèurst doe in huis hebben (ndva) *Wat ik wete, wete ik zo good as een domneer, mor ik wete lang zoveule neet (Die); Ie kunt nooit weten, hoe een ko een haze vangt (Bei); Geleuven doej in de kerk, hier moej het zeker weeiten (Gas); Meten is weten (Gro); Jij kunnen het weten, want jij hebt een opstappertie an de fietse (Klv); Daor weet ze in Möppelt niks van zo erg is het nu ook weer niet (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
weten , wééten , weten, (wit, witte, wis, wiessen, gewééten). witte wa’k wou?, weet je wat ik wilde? witte gij’t?, weet jij het?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
weten , weten , wet, wus / wist (Kampen), wussen / wisten (Kampen) , weten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
weten , weetn , ik weete / wisse; iej weetn / wissn; hie weet / wis; ieluu weetn / wissn; Ik heb eweetn , weten. Dât wik wel weetn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
weten , wit , weet , Héij duu niks én'nie wit van niks, dé's gemak dan hoef'de ók de muur nie te witte. Hij doet niets en hij weet niets, dat is makkelijk dan hoef je ook de muur niet te kalken.
Verleden tijd wies. Giestere wies ik alles nog, mér nouw zéij ik 't miste wir vergeete, ik wor wa kénds. Gisteren wist ik alles nog, maar nu ben ik 't meeste weer vergeten, ik word wat kinds.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
weten , weten , werkwoord , 1. weten 2. toegeven, uit willen komen voor, tot uiting laten komen 3. beseffen, zich bewust zijn 4. bemerken, vernemen, in weten kunnen, bijv. Veertien dagen nao ni’jjaor kuj’ weten dat de daegen langer wodden; ook in Ik kan dat wark wel een ure doen, daor weet ik niks van dat merk ik nauwelijks, ik krijg er geen last van 5. in d’r van weten willen, van iene weten willen te maken willen hebben, willen omgaan 6. in weten van geneigd zijn 7. in weten te kans zien om, erin slagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
weten , wèite , werkwoord , wis, gewèite , weten , (afw. vormen o.t.t. dich wêts, hër wêt, dier wêt, geb. wijs. wêt) Zw: Dè wis dat 'r veel, dè laag zich: wie alles van te voren wist kon maatregelen nemen. Zw: Dat maog God wèite: dat mag Joost weten Zw: Es te mer get wêts: als je dat maar weet.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
weten , wette , weet je
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
weten , wiejete , weten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
weten , witte , wit; witte gè; wizze , weten. wit (weet); witte gè (weet je); wizze (wiste); witte wà: weet je wat
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
weten , weejte , weete , ik weejt, wik, wit ik; gèi , weten , Witte gèij ’r rôd mi? Weet jij er raad mee?;Zèij wit van niks én kumt van nérges. Zij weet van niets en komt van nergens. Zij houdt zich van den domme.; Dè wik nie. Dat weet ik niet.; Ás ik dè geweejte háj! Als ik dat geweten had!; Witte wùl wa ge doet? Weet je wel wat je doet? Overzie je de consequenties wel? ; Hèij zit ’t wir is te weete. Hij zwamt weer eens.; Witte gèij de weg no Mierle? Weet jij de weg naar Mierlo? Wit jij de weg naar Mierlo. Dit is een instinkertje. Is het antwoord ja, dan heb je heel veel witsel nodig. Is het antwoord nee, dan ben je een sufferd., ’t Go goewd, wònne. Het gaat goed, weet je., Zoo ist nèw immel, wittewùl. Zo is het nu eenmaal, weet je wel.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
weten , weite , ich weit, doe wèts, hae wètj, zie weite, ich wi , weten , Dao wètj die waal waeg mèt. Det weit ich nog zoea net neet. Hae wètj van vuuer neet of d’r van achter laeftj. Van toete noch blaoze weite. Weite woea haas hoektj: wel weten hoe de vork in de steel zit. Zich geine raod weite.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
weten , weite , werkwoord , wètj, wist, geweite/gewete , weten; weite woeë haas hktj – van wanten weten, van de hoed en de rand weten zie ook wete
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
weten , wete , werkwoord , wètj, wist, gewete , weten; det wiltj tjer neet wete – dat wil hij niet toegeven ook weite
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
weten , weête , weîte, wieëte , werkwoord , wétj/wètj, wist(t)/wis(t)j/weest/wis, geweîte/gewete/gewieëte , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); weten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
weten , wit , bijvoeglijk naamwoord , "intiem, vriendschappelijk; Wèst wir wit tusse höllie. - Wat kunnen ze weer goed met elkaar overweg. gez.Pierre van Beek - Tis wit tòt et stiltje toe. - Ze kunnen het zeer goed met elkaar vinden. (Tilburgse Taalplastiek 131); Pierre van Beek - Meej die twee is et wit tòt et puntje toe; zó wit as póppestrónt; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hèdde oew witweeke veur? (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 197l) - vraag aan iemand die op een weekse dag met een witte boord voor de dag kwam. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dès zôo wit, daor kan ze wèl óp tòffel poepe ('65) - het is dik aan; Frans Verbunt (1996) - wit as poppestront; WBD III.2.3:186 'witte mik' = wittebrood, ook 'wit mikje'; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - wit bijvoeglijk naamwoord : wè is 't toch wit tusse-n-ullie - dik aan; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WIT - wit, bijvoeglijk naamwoord : zoo - als nen doek; hij is wit met — (bevriend); C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WIT bijvoeglijk naamwoord  - in de uitdr. ""t is wit' - de onderlinge relatie is vriendschappelijk (zolang als het duurt). A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; wit, bijvoeglijk naamwoord  'wit': ""’ t Is zeu wit a's poppestront"" d.i. buitengewoon vriendschappelijk."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
weten , weete , sterk werkwoord , weete - wies - geweete , "weten; - klinkerverkorting in de 2e en 3e persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd, in de gebiedende wijs, en soms 2de  persoon meervoud in plaats van jullie; – je weet / ge wit / witte gij; – hij weet / hij wit; – zij / ze weet / ze wit; – jullie weten / gullie wit / witte gullie; – weet! / wit...!; Infinitief; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - weejte ww – weten; Pierre van Beek - Nie beeters te weete - voor zover ik weet. Tegenwoordige tijd – 1e persoon - ik; Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden – Sprikt! Pròt òf lòt en scheet, dèk iets weet. [Zeg iets, al is het nog zo weinig]; Cees Robben - Gij moet nie zóveul praote; dan weete de meense nie hoe lómp dègge zèèt. Henk van Rijen - dè week nòg wèl - dat weet ik nog wel; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Dè beger ik vaan jaau te wète (è: tusschen ee en è); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Dèk weet, weet ik zó goed as de pestoor!', zi den boer,' mar nie zó veul' (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - zeispreuk; Dirk Boutkan (1996) - (blz.99) ik wee(t) nie waor k em moet gòn zuuke; Tegenwoordige tijd – 2e persoon – jij, gij, ge; DANB witte ginne waogemaoker?; Kubke Kladder – Witte wè ze bij ons schaand noemen? Zelf goei boter eten en oe kender margerine (Column in Nwe. Tilb. Crt. 1930); Kubke Kladder – Toen de goeie boerin nog een tas dampende koffie ingeschonken en mee 'ne punt van d'ren blauwen schort 'ne tip van de tafel schoongeveegd had, zei ze voldaan: ""Ziezoo Toontje, ge kunt aan den slag,"" en ze voegde er lachend bij: ""as ge nie genog hed wittet mar te zeggen...”  (Column in Nwe. Tilb. Crt. 1930); Jan Jaansen - ""Alla kom, haawdoe war, en dè ge bedaankt bent dè witte wel!"" (ps. van Piet Heerkens; uit: NTC, ’t briefke van duuzend, 1939); Piet Heerkens – Zeg, witte gij nog van Jan Viool/ die langs de deure liep/ en geurde naor 'n vuil riool/ en in de schuure sliep? (Uit ‘Jan Viool’, in Den Örgel, 1938); Cees Robben - Witte wègge kunt! Niks kunde... Cees Robben - Dè witte gij toch; Cees Robben - wittet nòg?; Cees Robben - agge ginne raod wit; Cees Robben - ge wit tòch dè goej wèèrk veul geld maag kòsse; Cees Robben - vurdè ge et wit; Henk van Rijen - agge wir wè wit - als je weer eens wat weet!; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - witte ww. - weet je; Piet van Beers - Want dieje lucht van vlêes... dè witte/ gao wèl in oe klêere zitte. (uit: ‘Eete van unne steen, 2004); Rudolph van Veen - 2012 - 'Manneke witte gij wel wa dat is?'; Tegenwoordige tijd – 3e persoon – hij, zij, ze, het, et, dat, dè; Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden – Hij kómt van Gôol èn wit van niks. Dè wè nie wit, dè ok nie deert. (Henriëtte Vunderink, Heure, zien èn zwèège, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); Cees Robben - God wit; Cees Robben - hier witte wèt is; Van Hepscheuten - Witte wèttie wo?... wippe wottie! (Jan van Rijthoven – in ‘We tobbe mar aon, 1992); Tegenwoordige tijd – 2de persoon meervoud – jullie; Sterneberg sj – Wat da zegge wil, in Indië, da witte gullie ok wel. (’n Busselke Braobaants; 1930); Lodewijk van den Bredevoort -  Gullie wit intussen wè dè is. (2007); Piet van Beers - Gullie wit nie hoe ’t voelt... (Uit: ‘Versjes maoke’; 2004); Verleden tijd; Dirk Boutkan (1996) - (blz.68) wiezek, wieste, wiesie, wieseme/ wiesewe, wiestegullie, wieseze. ik wies; gij wiest / wieste gij? / wieste?; hij, zij, et wies; wij wiese; gullie wiest / wieste gullie; hullie wiese; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - wies(e) ww - wist(en); Verleden tijd – 1e persoon enkelvoud; Kwok wies wèk wo. - Ik wou dat ik wist wat ik wilde. De Wijs  – kwô dek wies wèt waar (feb. 1962); As ik wies wè ons Wies wies, dan wies ik ut wel! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - gê daacht dè 'k dè nie wiest [met t!]; Henk van Rijen - kwies nie dè dè dè betêekende; Mèn schonste Tilburgse spreuk is: ‘Kwo dè’k wies wè’k wo, Wies.’ (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009); Verleden tijd – 2e persoon enkelvoud; Tony Ansems - Hoe wieste wègge moest zegge (uit 'Toon' van de cd Tilburgse Liedjes - American Style, 2007); Lodewijk van den Bredevoort - ‘Wieste gij dè nie menneke?’, zittie. Dè menneke wies dè dus hillemol nie en hatter om eerlek te zèèn zen èège ok nôot druk over gemaokt. (ps. van Jo van Tilborg; uit: Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?, deel 2, 2007); Henriëtte Vunderink - Wieste dè ammòl nie?/ ookeej, dan wittet nou. (uit: 'Wieste...', in kZal van oe blèèven haawe, 2007); Verleden tijd – 3e persoon enkelvoud; Cees Robben - hij wies nie òn wèlke kaant te begiene; hil de hoef wies ervan; Henk van Rijen - Wies wies wie ze waar - Wies wist wie ze was; Verleden tijd – 3e persoon meervoud; Ze wiese nie wèsse wón. Ze wisten niet wat ze wilden. Cees Robben - Asse wiese det gewist was, dan zón ze wèl gewist zèèn. Cees Robben - Asse mar wiese wèsse won!; asse wiese wè ze aate; Frans Verbunt (1996) - Asse wiese dèt was, zon ze wèl gewist zèèn. Woordspeling met ‘witte’, namelijk de klankovereenkomst in de werkwoordsvormen van ‘weten’ en ‘witten’ (met witkalk verven); J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - Witten voor 'weten'; z.a. Van Delft - - Z'n vrouw had zich bij dit gezegde nog lachend aan de deur omgewend, toen ze sprak: ""God wit alles en God wit niks."" Op mijn groote vraagoogen, die het verband niet snapten, snapte zij gemoedelijk: ""Jèjè ik bedoel, dat Onze Lievenheer heel veul weten kan, mèr alles wit-ie nie, want aanders zou ie onze kelder nou in de schoonmaoktijd ook wel gewit hebben."" (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); Karel de Beer - Eens ging hij [textielfabrikant Henri M.J. Blomjous]  met zijn zusters (zie Toos en Maria Blomjous) hun broer Joseph M.D. Blomjous (1873-Den Haag 1930) opzoeken, die zich in 1923 in de Residentie had gevestigd. Aldaar meldde de conducteur van de tram op een zeker moment: ""Witte de Withstraat"", waarop een van de zusters antwoordde: ""Dè moete òn onzen Harrie (Henri) vraoge, die wit alles!"" Een andere lezing voor het gegeven antwoord luidt: ""Dan zudde veul kallek nôodeg hèbbe!"" (Tilburgs Bijnamenboek, 2000); ; wit - tegenwoordige tijd van ‘weete’; weet; Cees Robben – En vur dè ge ’t wit... is ie [de dag] tèine (19561222); Cees Robben – Wie-wit-waor... (19571123); Cees Robben - ...Witte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kôôpe..? (19640424); witte - persoonsvorm van weete met voornaamwoord; weet je - 2e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'weete', met vocaalkrimping en samensmelting met enclit. pronomen; zie weete; Cees Robben – ...dè witte war.... (19540417); Cees Robben – Mar witte waor ’t blèèft... (19600311); Cees Robben – Dan witte göllie ’t wel. (19670428) ; Cees Robben – En witte wè den lillukkerd toen zeej... (19671110); Cees Robben – Hoe witte gij dè (19700501); Cees Robben – Wittet al... [?] (19800208); Cees Robben - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kôôpe..? (19640424); wiesde - verledentijdsvorm bij weten; wist(en); ik wies; gij wiest / wieste gij?; hij, zij, et wies; wij wiese; gullie wiest / wieste gullie?; hullie wiese; zie weete; Cees Robben – 'k Wies.. (19560714) ; Cees Robben – Dè wies ik nie.. (19590912); Cees Robben – Ak-naa-mar-wies-wek-wô... (19771007); Cees Robben – Ons Wies wies alles... Van wiezet wies dè wies ik nie... mar ze wiest... (19870227); Cees Robben – Wij wiessen precies weffer sôôrt dè we han... (19570525); Cees Robben – [Ze] zont nie eete... asse wiesse wesse aate... (19750606)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
weten , weite , wós – geweite , weten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal