elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wijze

wijze , wieze , een bekwaam, knap man; “’n soortig boerendokter, dat’n wiezen is.”
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wijze , wieze , wijs, wijze; gijn wieze op stellen = eene zaak niet behoorlijk regelen, bv. om met een traktement rond te komen; dou as ʼn wieze is = schik u naar het gebruik; op zooʼn wieze!? = is het zóó gelegen of toegegaan, bedoelt gij het zóó, dan begrijp ik de zaak! (Nederlandsch: op die manier!?); op zien wieze, op zien wies (op zijne wijs) = naar zijne mening; op zien wieze het’e ’t hijl mooi doan (zegd, enz.) = hij verkeert in den waan dat hij het voortreffelijk (bv.) heeft voorgedragen. Ook: zij slijp op heur wies = zij hield zich of zij sliep; hij har ’t hijl drok op zien wies.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wijze , wieze* , “op zoo’n wieze!?” komt overeen met het in het Nederlandsch in de spreektaal gebruikelijke: o! op die (zoo’n) manier!?
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wijze , wiize , vrouwelijk , wijs. Op dei wiize, op dei aord en wiize: op die manier
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wijze , wies , mannelijk , wijze, gewoonte, gebruik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wijze , wieze , wijze; * met weinig kump de wieze wied, met völle mut de domme opziet: met wijsheid kom je ver.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wijze , wîêze , wijze, manier. Gunninks woordenlijst van 1908: Op zien wîêze ‘naar hij meent’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wijze , wieze , zelfstandig naamwoord , de 1. manier, wijze 2. gewoonte, gebruik 3. melodie, wijs 4. in d’r wieze op stellen er prijs op stellen 5. in D’r gong een zwaore wieze op het ging erg zwaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wijze , wieze , wijze, manier. Op die wieze giet ’t goed. Zie ook: meniere.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wijze , wieze , 1. betweter; 2. opschepper; 3. iemand met een vergroeide rug (die daardoor meer kon dan anderen).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wijze , wieze , wijze; naor de wieze der vrouwen gaon, ongesteld (wezen).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wijze , [wijs persoon] , wieze , (mannelijk) , iemand die wijs is , De drie wieze kwoeame oet ’t oeaste.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wijze , wieze , zelfstandig naamwoord, mannelijk , wies , persoon, wijs
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal