elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wik

wik , [lampenkatoen] , wikke , wèke , (vrouwelijk) , wikken, wèken , lampkatoen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wik , wikken , zie gele wikken *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wik , wik , zelfstandig naamwoord de , Sloot, haventje bij huis, doodlopend slootje, inham. Het woord is een variant van wijk, afleiding van wijken. Zie het N.E.W. onder wijk-2. Verkleinvorm wikkie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wik , wik , zelfstandig naamwoord de , Afleiding van het werkwoord wikken = overwegen, in de zegswijze ’t is ’n eerleke wik, het is een eerlijke overweging, een eerlijk argument, een eerlijke zaak.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal