elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: winnen

winnen , winnen , (werkwoord) , verkrijgen. Het wordt hier nog van de koeiën gebezigd. , Die koe heeft gewonnen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
winnen , winnen , huren, van dienstboden, ook Gron. Oostfr.; onv. verl. tijd: wund, Gron. wōn; wunnen = verl. deelw. van: winnen (Gron. wōnnen) = gewonnen, overgehouden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
winnen , winnen , (sterk werkwoord) , winnen, vorkrijgen; he hef en kind ewonnen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
winnen , winnen , huren, inhuren van dienst- of werkboden; ook Drentsch, Oostfriesch; ’k heb mien maid weer wōnnen = weer voor een jaar gehuurd; as dat wicht nog nijt besteed is wi’k heur winnen = heeft die meid (of: dat meisje) nog geen’ dienst, dan wil ik haar huren. – Ook, door uitlating der d = winden. Zie: opwinnen, en: verlijzen.
wōnnen = gewonnen; wie hebben ’t wōnnen = wij hebben de grootste moeilijkheden overwonnen, en ook: den strijd, het spel gewonnen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
winnen , winnen , (sterk werkwoord) , vgl. bewinnen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
winnen , winnen* , ook = voorgaan van een klok, beteren van een ziekte; het tegenovergestelde verlijzen ook in die twee beteekenissen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
winnen , winnen , In verwinnen, op het spel zetten. Z(i)ee verwonnen daor èventjes vîf gulden, verloren bij het spel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
winnen , winnen , wun, ewunnen; ik winne, dů weenst, hei weent, wi, i, zei wint , [winnen]
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
winnen , winn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wint, weent, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: , winnen, aanwinnen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
winnen , winne , werkwoord , Ook: 1. Verdienen | Ze winne van negendalf tot twaalfdalve gulden. 2. Opschieten, vorderen. | ’t Wint al pittig. 3. Bereiken. | Deer win je niks mee. 4. In dienst nemen, aantrekken. | Volk winne. Voltooid deelwoord wonnen, in de zegswijze ik hew an je wonnen, ik vind dat je er sinds de laatste keer (dat ik je ontmoette of bezocht), beter uitziet. Vgl. ik hew an je verloren. Zie verloren. – Ergens wonnen en geboren weze, ergens geboren en getogen zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
winnen , wénne , wón, haet gewónne , winnen; laten dekken van vee.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
winnen , winne , werkwoord , (KRS: Wijk, Lamg, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), minne (KRS: Lang, Scha; LPW: Bens, Pols), menne (KRS: Werk, Bens, Pols) 1. verzamelen, oogsten: ‘We gaan koren winne.’ (Scha) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 144) In Lopik zijn winne en minne niet geheel synoniem: winne omvat het hele proces, ‘van veld tot schuur’, minne (mennen ) is specifiek het hooi met de wagen naar de boerderij brengen. In menne zit een heel duidelijk betekenisaspect van ‘rijden’ (volgens Van Dale (1992, p. 1805) ‘met paard en wagen vervoeren’). De in de Utrechtse dialecten zeer gebruikelijke ontwikkeling van e tot i voor nasaal (immer , dinke ; zie hoofdstuk 2, punt A.4) leidde tot een vorm minne , en vandaar is het nog maar een kleine stap geweest tot menne/minne de betekenis kreeg van het vrijwel gelijkluidende winne , dat bo-vendien in dezelfde sfeer wordt gebruikt. Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . 2. (ww) (alleen de variant winne ) geslachtsgemeenschap hebben (KRS: Werk) Zie ook *repe .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
winnen , winnen , 1. winnen. 2. vooruitgaan, voortgang maken. 3. oogsten van hooi.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
winnen , winnen , wennen, wienen , sterk werkwoord, overgankelijk , Ook wennen (Zuidoost-Drents veengebied), wienen (ui) = 1. winnen Gistern wun hij wat in de lotterije (Dwi), Doe e het nich van hum winnen kun, weurde gemein (Bov), Iene kan mar winnen (Klv), Ie maakt de kleine kiender nog wakker en dan hej het ewunnen dan heb je het geduvel (Ker), Het argste is over, hie hef het weer wunnen goed doorstaan (Odo), Die hef altied ewunnen en nooit verspeuld (Eli), A’k hum zo bekieke, he’k an hum ewunnen zie ik er beter uit (Hgv), (byv.) Hij is an de winnende haand (Flu), z. ook winber 2. verzamelen, oogsten De baaien winnen goud, wij kriegen een goud nust hönnig (Een), Dat heui is mooi wonnen, het rök as kruut (Pei), Zoveule grös, daj het slecht könt winnen bijna niet kunt oogsten (Koe), Het peerdeheui was slecht wunnen (Eri) 3. verwerven Aj een knecht wunnen, kregen ze een riekdaalder handgeld (Sle), Aj mij gister wonnen hadden, wa’k vandaog je knecht west (And), ...wa’k vandaag je hondtien west reactie op As.... (Bui) 4. wensen (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Ankom dingsdag kow te neijaor winnen op nieuwjaarsvisite (Sti) 5. toenemen in productie (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) De koenen hebt wunnen (Sle), z. ook anlaoten, anwinnen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
winnen , winnen , 1. winnen; 2. huren (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: Een knecht òf meid winnen ‘huren’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
winnen , winn , ik winne / wunne; iej wint / wunn; zie wint / wunn , winnen. Hoeveule heb iej ewunn bie ’t leste spul?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
winnen , gewónne , gewonnen , Héd'de gèèj die knikkers geliik gewónne óp school, dan héd'de ze nogal afgezèt jónge. Heb jij die knikkers allemaal gewonnen op school, dan heb je ze nogal afgezet jongen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
winnen , winnen , werkwoord , 1. vorderen t.o.v. iets of iemand, verder vóór komen 2. winnaar worden 3. verkrijgen door inspanning, oogsten 4. verdienen 5. hebben aan, opschieten 6. in dienst nemen, bijv. iene veur et huusholen winnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
winnen , wênne , werkwoord , won, gewonne , winnen , Zw: Dao wêns te niks mêt: daar bereik je niets mee. Zw: Dat hèt 't laand gewonne: dat is 'in'. Zw: De koo hèt gewonne: de koe is bevrucht Zw: Laot dich mer wênne: laat je maar bedotten.; opgang (opgang maken) 't laand wênne VB: Modern kuükes mêt aal drop en draon hebben 't laand gewonne; bedotten wênne
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
winnen , winnen , wienen , oogst binnenhalen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
winnen , winne , wintj, wón, gewónne , 1. winnen 2. gedekt worden (gezegd bij een varken, konijn)
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
winnen , winne , werkwoord , winjtj, wón, gewónne , 1. winnen; ich bön gewónne – ik heb gewonnen (b.v. in een sportwedstrijd) 2. uitbreiden: laot de kóffie nog ins winne – schenk nog eens wat water bij de koffie; winne laote – (een dier) laten dekken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
winnen , winne , werkwoord , drachtig zijn van vee, verdienen aan, wennen, winnen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
winnen , winne , sterk werkwoord , winnen, verdienen, opbrengst hebben van grond; Cees Robben – Ik beteul zelf munnen hof en win veul. (19850517); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge kunt wèl winne, mar nie zinne (HM'70) -je kunt wel kinderen krijgen, maar ze niet naar je zin vormen; Dirk Boutkan (1996) - winne - wón - gewónne
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal