elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wol

wol , wulle , (vrouwelijk) , wol.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
wol , wolle , (vrouwelijk) , wol.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wol , wōl , (onzijdig); dat rekt zoo dat wōl, nl. die wollen stof; in de wōl zitten, fig. voor: er warm zitten, een aanzienlijk vermogen bezitten, ook Oostfriesch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wol , wol , (wòl) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie een zegsw. op boer en teekjeswol.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wol , wōl* , (bladz. 579 II onder), zie varf .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wol , wolle , [wolә] , vrouwelijk , wol. Düür de wolle evaaift: door de wol geverfd.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wol , wolle , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , wol. An de wolle komm, in bezit nemen, te pakken krijgen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wol , wol , wol
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wol , wol , vrouwelijk , wölke , wol.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wol , wool , wol in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
wol , wolle , wol.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wol , wol , wolle , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook wolle (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. wol Der zit een beste vluus wol op (Bov), Hij kan geen wol an de hakken hebben gezegd, als iemand een gat in de kous heeft aan de hak (Eri) 2. spinsel van wol Wis do dat knot wol even veur mij opholden (Scho), Veur het breien van die trui ben je wel vief knotten wol neudig (Ass) 3. van wol gemaakt spul Wij kroept onder de wolle onder de dekens (Dwi), Die trui, is dat wolle? (Hol), (fig.) Hie preekt deur linnen en wollen hen kan geweldig preken (Dro), zo ook Hie prat deur wollen en linnen (Exl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wol , wolle , wol
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wol , wolle , wol.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wol , wolle , wol , zelfstandig naamwoord , de 1. wol, schapenhaar 2. wollen spinsel 3. wollen stof 4. wollen goed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wol , wol , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , wol , Zw: Vëul gerëuf en wienig wol: veel geschreeuw en weinig wol.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
wol , wolle , (zelfstandig naamwoord) , wol.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wol , wol , zelfstandig naamwoord , "wol; ook het meervoud 'wolle' is gehoord: Interview Hermans - 1978 - “De fijnste wolle die koome öt de Mienejoo schaap öt Frankrijk èn Itaalieje…”. (transcriptie Hans Hessels, 2013); Van Delft - ""Hij is in de wol geverfd"" zegt men, evenals: ""Er vat niks op"", van iemand die zich nergens aan stoort en z'n gang gaat. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); WBD wól - haar (in de leerindustrie) II 609; WBD wól - blootwol, wol v.d. huid van geslachte schapen, II 609; WBD wólle stòf (II:894) - wollen stof; WBD wólle stuk (II:894) - wollen stuk; wolle flenèl; Henk van Rijswijk - Wollen flanel: luxe wollen kamgaren stof met een kort door licht ruwen en licht vollen verkregen viltdek. Geweven in plat- of gelijkzijdige keperbinding geweven. De stof is kwetsbaar. Het verdient aanbeveling om een flanel kostuum na een dag dragen enkele dagen vrij te laten hangen. Afhankelijk van het dessin ook wel krijtstreep genoemd. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954) ; wolle stòf; WBD II.4. p. 894 – J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij „wol of haar"": „Dierlijke spinvezel, afkomstig van de huidbedekking van schapen (wol), koeien, geiten, kameelen enz. (haar). De haren groeien vanuit z.g.n. haarzakken en klitten aan elkaar door een afscheidingsprodukt der talkkliertjes (wolvet). De vezel bestaat uit drie lagen, die om elkaar liggen: a. opperhuidschubben; b. leerhuid en c. merg. De opperhuidschubben liggen dakpanvormig over elkaar en maken de wol verviltbaar (zie vollen). Wolvezels zijn fijner en meer gekroesd dan haren. Lange vezels (tops) leveren kamgarens (worsted). Korte vezels (nous) leveren kaardgarens (woollens). Vezellengte van tops: 170-500 mm; van noils: 36-250 mm. het type wollen stof; wólle stòf, K 183 (= Tilburg) "
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal