elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: worden

worden , wodden , wodden = worden; wot = wordt; wuer = werd. weuren = werden; Gron. wōr; wuir, en: wōrren, wuiern, ook worde, (enkv.). wuer & wuur = werd. wuren = werden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
worden , worden , woden , (sterk werkwoord) , worden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
worden , worden , worn , meestal uitgesproken: worrên, wor’n, in: met iemand nijt konnen worden = met hem (of: haar) zijn doel niet kunnen bereiken, niet in overleg met hem kunnen treden; hij ken niks worden = hij kan niets uitvoeren, hij is machteloos, bv. van een geboeide, een schuldeischer, enz.; in duustêrn ken ’k niks worden = in het donker kan ik niets vinden, niets uitvoeren; zij (de rechters) kennen niks mit hōm worden = zij kunnen hem niet tot bekentenis brengen; zij kennen d’r niks mit worden = die zaak kan niet bij de rechtbank aanhangig gemaakt worden; mit schrieven ken ’k niks worden = in het schrijven ben ik een groote stumper; loopen doar ken ’t olmens zoo min mit worn = de oude vrouw (onze moeder) kan haast niet loopen; mit dat mest (die pen, dei bril, enz.) ken ’k niks worden = met dat mes kan ik niet snijden, enz.; ’k bin zoo kwoad as ’k worden ken = ik ben verschrikkelijk boos (op dien man, enz.); hij (of: zij) is troud worden = hij is (eindelijk) getrouwd. dat wordt wat = als men alles samentelt wordt het eene belangrijke som, enz. ook: dat wordt een huwelijk; ’t wordt al wat = ’t leert al, ’t gaat al beter; hou wordt dat!? (langzaam uitspreken) = hoe zal dat afloopen? ’t wordt nijt = ’t gelukt niet, ’t komt niet klaar; dat wordt niks = daar komt niets van terecht; ’t wordt nijt weer mit heur (of hōm) = zij zal wel niet, of niet volkomen herstellen; ie worden bedankt = ik dank u; dat har wat worden kent! = dat had een groot ongeluk kunnen worden; wat nijt is ken worden (klemtoon op: is, en: worden) = men weet niet wat er gebeuren kan, bv.: ofschoon er nog geen sprake is van verkeering tusschen de jongelieden, kan die toch wel eens aangeknoopt worden en een huwelijk daarvan het gevolg zijn. Overijselsch worren, Oostfriesch wodden, worren, wadden, enz. Zie ook: wōr. Vervoeging: ik wor, doe wōrst, hij wordt; ik wōr, wuir, wör, doe wōrst, wuirst, wörst; hij wōr, wuir, wör; wie wōrren, wuiren, wören; ik bin worden, enz.
wo’jê = wordt gij, samengetrokken uit: wor ie, of: wor jie = wordt gij; anders wo’jê bedrogen; doar wo’jê nijt beter van = daar hebt gij, of: heeft men geen voordeel van; wo’jê bedankt, waarop dikwijls geantwoord wordt: goud, ’k wōl d’r anders niks veur had hebben, altijd schertsend.
worst = gij wordt, en: wordt gij: worst verneukt jōng! = gij wordt bedrogen, mijn vriend! worst wel ìjnmoal wies? = zoud gij wel ooit wijs worden? ook Oostfriesch.
wor wie, wowê, woffê = worden wij, soms verscherpt tot woffê; doar wowê nijt beter van = dat brengt ons geen voordeel aan; wowê ook verzöcht? Laat men de r hooren, dan zal men ook wie, in plaats van gebruiken en dus zeggen: wor wie; wuir (Stad-Groningsch) = werd; wuire = werd hij; “doar wuire steegs tegen in” = dat maakte hem koppig; wōr, worde (Hoogeland) = wuir, wör = werd; “hij worde d’r mit op loop stuurd” = het werd hem wijs gemaakt met het doel dat hij het overal zou vertellen. Drentsch weur.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
worden , worden , (sterk werkwoord) , Vervoeging: Tegenw. tijd, ik wòr, je wòrre (en wòr-je), hij wòrt, we, jòllie, ze wòrre. Verl. tijd, ik wier, je wiere enz.; te Assendelft ook ik wòrde, je wòrde enz. Gebiedende wijs, wòr. Onbepaalde wijs, wòrre. Verl. deelw. ’ewòrre. Deze vormen zijn merendeels ook elders in Holl. gewoon. || Hij worde der ziek (Assendelft).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
worden , worde* , Hoogduitsch wurde; meer beschaafd: wier, van het Nederlandsche “wierd”, evenals de vorm wuir* van “werd”; wör (Ommelanden.) De zegswijze op bldz. 580 beteekent: het werd hem wijsgemaakt, opdat hij ’t overal zou vertellen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
worden , waere , waer, wuërs, wuërt, woort, gewaore , worden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
worden , worden , [wǫn̥] , wör, ewörden; ik worre, dů wodst, hei wod, wi, i, zei wodt [wǫt̥] , worden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
worden , worn , werkwoord, sterk , tegenwoordige tijd: worre, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: wùr, verleden deelwoord , worden. Kwiet worn, kwijtraken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
worden , worre , wier, geworre , worden, werd, geworden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
worden , wier , werd; hij wier nie choed
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
worden , worre , werkwoord , Worden. De vervoeging luidt meestal: worre – werd/wier/worde (verouderd) – worren. Zegswijze mit mekaar worre kenne, met elkaar kunnen opschieten. | Die twei kenne goed (mit mekaar) worre. – Erges niet mee worre kenne, ergens niet mee overweg kunnen. | Geef es ’n aâr mes, hier ken ik niet mee worre. – ’t Wort alders wat, zo is het wel genoeg. | Drie skeppe suiker, ik zou zègge, ’t wort alders wat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
worden , waere , woort, is gewoorde , worden. ’t Mót ėrch waere, wilt ’t gout waere: er moet nog heel wat gebeuren, eer de zaak in orde is. Hae woort heivisj gebrach: hij werd thuis gebracht. Dao wurt mee leit gevaare, ės gedraage: in de paleizen der rijken is meer leed
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
worden , worde , werkwoord , werd. Een heel enkele keer hoort men in ’t Biks nog wel eens worde i.p.v. wier of werd. Onze buurman worde giestere fèftig (50).
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
worden , worden , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. worden Die man is hiel aold worden (Coe), Hie weur ziek (Odo), Hai is het worden hij heeft de baan gekregen (Rod), Het wordt niks mit het weer (Klv), Het wordt nich wat er gebeurt niets meer (Nsch), Dat zal nog wat worden, as hie vortmöt (Oos), Het zal wal harfst worden, veurdat e komp (Sti) 2. overweg kunnen, uit de voeten kunnen Ze kunden eerst best mit mekaar worden, mar nou komp er ofguunst bij (Bro), Gooi dat slimme ding mor in de sloot, daor kan ik niks met worden (Hijk), Mit kaorten kan hij ook wel worden (Rui), Zij hef een vals gebit kregen, maor ze kan der nog niks best met worden (Bei) 3. lukken, goed komen Het wordt niet meer vandaog, het is al vief uur (Eex), Hie wol dokter worden, mor het is niet worden (Sle), Ze wus niet of er wal wat van weur of er nog iets van kwam (hi), Het wordt niet weer (Bov), ...mèer hij wordt niet weer beter (Wes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
worden , worren , worden. (wor, wörd, wier, geworren).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
worden , wödden , wödt, wödden / wier (Kampen), wödden, ewödden , worden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
worden , wordn , ik worde / wordn; hie wordt / wordn; wie wordt / wordn; ik bin ewordn , worden. Wotte (wordt hie) tachteg jaor?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
worden , wor’de , wordt je , És ge veul koffie drinkt, wor’de lullek és ge dóód zé. Als je veel koffie drinkt, wordt je lelijk als je dood bent. Werd gezegd tegen kinderen die ook wel eens koffie wilden proeven.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
worden , wodden , werkwoord , 1. worden 2. in wodden kunnen mit overweg kunnen met, ermee om kunnen gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
worden , worre , werkwoord , wor, wier, geworre , worden Hij wier angenome Hij werd aangenomen Hij wier het gewaor Hij kreeg het in de gaten D’r wier saterdas nog gewerkt Er werd ’s zaterdags nog gewerkt Hij wier naer ’t ashok gebrocht Hij werd naar de cel van het dorp gebracht Het wier tijd Het moest nu maar gebeuren We worre d’r te oud voor We worden er te oud voor Hij is verscheene herrest tnegenteg geworre Hij is voorbije herfst negentig geworden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
worden , wërde , werkwoord , woer, woerde , worden , (afw. vormen o.t.t.t ich wör, dich wörs, hër wörd/wurt, diér wörd, geb. wijs enk. wër, wör, wur, mv. wörd. VB: Ich gelûif dat ich kraank wör.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
worden , wor’t , wur; worde; wierde , worden. wort (wordt het), wur (word); worde (werd) ; wierde (werd je)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
worden , wörren , (werkwoord) , wört, wier, ewörren , worden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
worden , worre , wier, geworre , worden
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
worden , worre , ik wor, wor ik; gèij wordt, < , worden , Ik wor nie goewd van oe. Ik word niet goed van jou.;Wierde gèij ’r ziejk af? Werd jij er ziek van?; Wa worde gèij látter, Jantje? Wat word jij later, Jantje?; Hèij is schólmister geworre. Hij is schoolmeester geworden.; Wor nie ziejk! Word niet ziek!
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
worden , waere , ich waer, doe weurs, hae weurtj, wae waere, gae , worden , Ich bèn mich toch krank gewoeare! ’t Is niks gewoeare. Mèt ein toespang wórt de medalie opgespangdj. Waat is t’r van ’m gewoeare? Waat wils se later waere?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
worden , waere , werkwoord , wuërtj, weer/waerdje, gewoeëre , worden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
worden , waere , werkwoord , wurtj/weurtj, woeërt/woort, gewoeëre/gewore , worden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
worden , wòrre , sterk werkwoord , worden; Dirk Boutkan (1996) - wòrre - wier – gewòrre; (B: wòrre - wòrde - gewòrre); – Praesens: ik wòr - gij/hij wòrdt; imp.: wòr; – 'wier' met lange ie; Cees Robben – Die worren daor bewaord. (19600826); A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 69 geeft 'wier' als verleden tijd in T, doch even oostelijk of zuidelijk: 'w?rde'. [sic]; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ww. (met gemengde vervoeging; verl. tijd. 'wordde', bij één persoon steeds 'wier'; verl. deelw.' geworre(n)) intr. 'worren' - worden; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WÖRREN wordt gebruikt in den zin van 'gaan' of om eene daad uit te drukken, die staat te beginnen: Ik geloof dat 'et zal wörren sneeuwen; wier(e) - persoonsvorm verleden tijd; werd(en); Verleden tijd van 'wòrre' - worden; - lange ie; Der wier vusteveul gezoope. - Er werd veel te veel gedronken. Cees Robben - toen wier de gèèt op stel en sprong ... Henk van Rijen - hij wier hoe langer hoe kaojer - hij werd almaar bozer; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 69 laat T juist in het 'wier'-gebied vallen; in het Z en O is het 'wierde'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal