elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wrikken

wrikken , wrikken* , (bladz. 580) is Nederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wrikken , vreike , vreikde, haet gevreik , wrikken. Gėt los vreike: iets los wrikken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wrikken , wrikken , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. wrikken Um een spieker der oet te kriegen, moej hum hen en weerdèn wrikken (Eex), Zit niet zo an die paole te wrikken (Bro) 2. roeien met één riem op het achtersteven (N:Hgv), z. ook wrieken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wrikken , wrikken , vrikken , werkwoord , 1. wrikken: wrikkend bewegen of dat proberen te doen 2. in het bijzonder: hetz. als stikken van aardappelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wrikken , vrikken , (werkwoord) , vrikken, evrikt , wrikken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal