elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zaai

zaai , zaai , (alleen in geschrifte) = het zaaien; “De haver is niet zoo vatbaar voor vorst, ’t geen bij een vroegen zaai in haar voordeel is.” “Als door eene of andere omstandigheid een late zaai moet plaats hebben.” (1881).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zaai , zai , zaai, voor: het zaaien, de zaaitijd, (komt in Nederlandsche woordenboeken niet voor.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal