elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zagen

zagen , zoagen , fig. voor: vervelend praten en telkens dezelfde uitdrukkingen te bezigen; dei kerel zat bie mie te zoagen; dat zoagde en zoagde moar vōrt, wat bij v. Dale heet: altijd op dezelfde snaar zagen = gestadig over hetzelfde onderwerp spreken. Conscience: Na eenige maenden hierover aan de ooren van haren man gezaegd te hebben; alsook: de zaeg der twist; v. Dale: zaag = zaniker, zanikster; – Fransch scie. – Spreekwoord: Zoagen en boren is mensenmooren (menschenmoorden), zooveel als: buitengewoon zwaar werk; zoug, zoagde = zaagde; ’t laatste is meest algemeen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zagen , zoagen* , bij v. Dale “zaag” = zaniker; het Fransche word “scie” heeft ook beide beteekenissen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zagen , zäägen , zwak werkwoord , zagen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zagen , zaang , werkwoord, zwak , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zaage, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: z , zagen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zagen , zage , werkwoord , Ook: zagende geluiden maken o.a. gezegd van astma- of bronchitispatiënten. Zegswijze te zagen gaan, zie: de week deurzage.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zagen , zaege , zaechde, haet of is gezaech , zagen; zeuren.; zaege kinderspel met knoop in koordje, zie: “Woordenboek van het Sittards dialect van P.J.G. Schelberg”, Kenjersjpeelkes, blz. 511
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zagen , zaeng , zaeng, ezaegd , zagen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zagen , zagen , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , Var. als bij zaag = zagen Wij hebt mooi laankholt ezèugen (Dwi), Hij zeug het middenkalf oet het kezien (Gas), Bomen umkappen, dat is beter as zaogen (Eel), Dat kalf is der ofzaagd, ...der in stukken ofkommen bij de geboorte in stukken gesneden (Sle), z. ook oflössen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zagen , zagen , 1. zagen; 2. snurken; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: zaniken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zagen , zaegn , zagen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zagen , zaegen , werkwoord , zagen (lett.); Hi’j zaegt d’r over hij snurkt flink
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zagen , zaoge , werkwoord , zaog, zaogde, gezaogd , 1. zagen 2. reutelen Hij is nog zô verkouwe dajje z’n borst ken hore zage
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zagen , zège , werkwoord , zègde, gezèg , zagen , VB: V'r môtte nog tien sentemeter van dè badding aofzège.; snurken (hard snurken) zège; zeuren (klagend zeuren); zège; ze gezêk kriége slaag (een pak slaag krijgen) ze gezêk kriége
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
zagen , zaege , zaegtj, zaegdje, gezaegdj , 1. zagen 2. zeuren, zaniken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zagen , zaege , werkwoord , zaegtj, zaegdje, gezaegdj , zagen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
zagen , zaege , werkwoord , zagen, zeuren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
zagen , zaoge , zwak werkwoord , zagen - geen vocaalkrimping; R. J. 'dan hah 't 'ie 'm er afgezaogen'; B zaoge - zaogde - gezaogd/gezaoge; Figuurzaogen waar veur ons un flötje van enne cent en zaogskes inzetten gin probleem. Héle kerststallen hebben we ötgezaoge… (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); gezaogd; van ‘zaoge’; ook ‘gezaoge’; gezaagd; Cees Robben – Turks eiken.../ Op ’t Gurke nog gezaogd [‘Turk’ is de spotnaam voor Tilburgers uit het noorden van de stad] (19560714)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zagen , zage , zágde – gezág , zagen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal