elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zand

zand , zand , (onzijdig) , zand.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zand , zand , De zegswijs: zand schuurt de moag, voegt men iemand toe die klaagt dat er zand in ’t eten is; ook Oostfriesch.
geschapen zand = zand dat nog nimmer verwerkt is. Uit Winschoten schreef men (1877): “Men heeft alle zoogenaamde teelaarde tot op het “geschapen zand” d.w.z. zand dat nog niet is verwerkt geworden, weggenomen.” Vgl.: geschoapen grond.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zand , zand , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. en vgl. land over zand op land. – Zegsw. zand verkopen, dood en begraven zijn. Zo ook elders; vgl. bij HARREBOMEE 2, 473 in dezelfde zin: Hij gaat een zandwinkeltje doen. || “Waarom zien-je ouwe Jan nooit meer an de weg?” “O, dat’s gien wonder! die verkoopt zand: hij is al ’en paar maanden dood”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zand , zand , zie op *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zand , zaond , onzijdig , zand
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zand , zaand , zelfstandig naamwoord, onzijdig , zand. Wat oet t zaand goojn, met iets op de proppen komen, dat niemand verwacht; zaandgat, zanduitgraving
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zand , zand , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze je moete gien zand nei duin slepe, je moet geen water naar de zee dragen. – Zand skuurt de maag, zie onder maag.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zand , zanjt , mannelijk , zand.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zand , zand , zelfstandig naamwoord , zand. 1. als er nog wat zand in de spinazie of de andijvie zit en de eters beklagen zich daarover, dan zegt moeder de vrouw verontschuldigend en ook wel vergoelijkend: Zand schuurt de maog. 2. Zanten of zanden zie: hèrd. 3. Zandligt. Van zandleegte of -laagte. Plaats waar wit of geel zand uitgegraven is. Zie ook: ötlêêge. 4. ’t Wit zand werd ook gebruikt als schuurmiddel. Er waren speciale schuurplènkskes (schuurplankjes) met een opbergbakje voor het fijne zand.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zand , zand , zaand , het , (Zuidoost-Drenthe). Ook zaand (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = zand Is het hier zaand of liem? zandgrond (Hgv), De Knaolsters gaot op de zundag hen ’t zaand naar de Drentse zandgebieden (Gas), Het zaand under de vloer mot goed dreug wezen (Wee), IJ moet het tot op het zand oetgraven (Oos), Strèei nog even zand in de kökken gezegd van zandfiguren strooien (Pdh), Zaand schieten op hoge plaatsen het zand onder de humuslaag weggraven (Mep), Zo te zien hef hij het rooie zaand niet uut evunden is hij niet erg slim (kv), Ik heb laand en zand ofzet um het te kriegen stad en land (Odo), Laand en zaand eigendom aan vastgoed (ti), (fig.) Geef hom ain haand en zaand er over het is vergeten en vergeven (Vtm), Hie hef zand, ...stront in de ogen ziet niets (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zand , záánd , zand.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zand , zand , zaand , zand. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: zaand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zand , zaand , zelfstandig naamwoord , et 1. zand 2. zanderige bodem of zandlaag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zand , zaand , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , zand , Zw: 'nne zaand ién de oüge sjtrûije.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
zand , zàànd , zand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zand , zâând , zand. in de uitdrukking “ge zul gin zâând mir afgaon”, “je hebt genoeg gegeten”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
zand , zaand , zand
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zand , zând , zand , De diej hi zând èn d’r kniejes. Zij heeft zand aan haar knieën. Zij heeft veel grond. Zij zal dus heel rijk zijn.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zand , zaant , zand
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
zand , zandj , (mannelijk) , zand , Zandj sjoortj de maag: gezegd als iemand klaagt over zand tussen de groente.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zand , zanjdj , zand; de zanjdj – het zand
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
zand , zând , zândj , zelfstandig naamwoord, mannelijk , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; zand
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
Zand , Zaand, ’t , plaatsnaam , Het Zand; Tilburgse wijk ; Cees Robben - Café-Hotel Restauraant Boerke Mutsaers in ’t Zaand. (19540227); Cees Robben – Hij gaat op zoek maar ’t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Körvels-huukske of ’t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen höfkes en geen hoven. (19651224) De prent gaat over de verstedeling van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zand , zaand , zelfstandig naamwoord , zand; Behalve de Twem was er toentertijd in Gool op den weg nor Poppel 'n klein twemmeke, dè wil zeggen 'n fietsbaontje van zaand. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929); Klaoske Vaok is zaand aon 't strooie, grib, grab, grauw, 't wil oe in oe eugskes gooie, grib, grab, grauw. (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), ‘Klaoske Vaok’, 1940); Cees Robben – We hebben ’n haoven mee waoter d’r in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer... (19540515); Cees Robben – Of zô mar in ’t zaand... in ’n gaotje... (19570525); Cees Robben – Toet wit zaand toe... (19610519); Henk van Rijen - wè nen bas, hij zingt zo lêeg, tòt et wit zaand toe-uiterst laag; Frans Verbunt (1996) - toe et gèèl zaand gaon - heel ver, heel diep gaan; WBD III.4.4:138 'zandhoop'= heuvel; WBD III.4.4:139 'zandhoop'= duin; ook 'zandbult'; WBD III.4.4:151 'klapzand' = stuifzand, ook 'vliegzand' of stof'; WBD III.4.4:153 'scherp zand' = drijfzand; WBD III.4.4:187 'zandplaat' = zandbank; WBD III.4.4:188 'zand' = slib; WBD III.3.1:402 'zandpad' = pad; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) -  zand zn - zand; uitdrukking: gin zaand afgaon; overdadig gegeten hebben; Cees Robben – Ge zult gin zaand mir afgaon... (19591107); WNT XXVII:818 'daar zal je geen zand van afgaan'; Hees IV:75 'gin zand mir afgaan'; Ghijs (1166) 'dêêr za(l) je géén zand van af- (of) gae/goa'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal