elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeggen

zeggen , zeidi , zeize, zeik , Zeide hy; zeize, Zeide zy; zeik, Zeide ik.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
zeggen , zeet , zeit, zegt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zeggen , zeggen , zeget zegt het, zate zeide. De Ouden bezigden het veelal. zeede voor zeide. Men vindt het ook bij de Ouden, o.a. het Pass., woord
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zeggen , zeggen , zeggen = in: ik zeg ʼt oe (met bijzondere klem op zeg), zooveel als: ik verzeker het u = ʼt was in de hoogste mate, of in den hoogsten graad, Gron. ik zeg joe. Zee = zei zeg & seg = zegt; zék = zeg ik; zekt = zeggen; as de lue zekt = zooals, naardat de menschen zeggen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zeggen , zeggen , zee (zei), ezekt , zeggen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zeggen , tegen zeggen , noemen, benoemen; wat zeg ie doar tegen? = hoe noemt gij dat voorwerp? Vrouger zeeën ze tegen hōm van Jan Wind; hij zegt tegen mie van dijf; dei jōng mout oomke tegen mie zeggen; zij zeggen altied tegen hōm van meester.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zeggen , ken ’k joe zeggen , zooveel als: daarvan kan ik u de verzekering geven, meestal echter niets meer dan eene stoplap; en, ken ’k joe zeggen, mit acht doag was ’k weer beter; dou hij dat tegen mie zee, ken ’k joe zeggen, was ’t net of ’k in de grōnd zōnk; “Dat zegt wat, ken ’k joe zeggen, man!”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zeggen , zeggen , da’s mien zeggen moar = dat wilde ik er maar mee zeggen, dat was juist mijne bedoeling; gijn zeggen willen hebben = van geene aanmerkingen, terechtwijzingen of vermaningen willen weten; olle maiden willen gijn zeggen hebben; - nijt nee zeggen geven = ongezeggelijk, ongehoorzaam zijn, van kinderen, ’t zeggen is dat wie op rais zellen = het plan bestaat dat wij een reisje zullen doen; ’k wil ’t nijt zeggen = dat wi’k ook nijt zeggen = ik wil, of: kan het niet tegenspreken, alzoo half toestemmend of gewonnen gevend; wat ie zeggen! = wel wel! zou dat waar zijn? dat ken ’k nijt zeggen (op eene vraag) = dat weet ik niet, zooveel als dat weet ik u niet te zeggen; hij zee d’r niks op = hij gaf er geen antwoord op, of: hij verantwoordde het niet. wat, of: dat ik joe zeg! (Klemtoon op: ik) = ik sta u voor de waarheid er van in: dat wō’k zeggen! dat dacht ik wel, dat moest eene vergissing, enz. zijn; ’t moar veur ’t zeggen hebben = het maar behoeven te kennen geven om iets gedaan tekrijgen; bv. eene verbetering aan een huis dat men gehuurd heeft; doar ’s niks gijn zeggen van = dat is zeer twijfelachtig, daaromtrent valt nog niets te bepalen, dat kan zeer goed misloopen; ’k zel heur d’r van zeggen = ik zal haar, of: hen daarover berispen; ik zeg joe! (met bijzondere klem op: zeg) = (dat was) in de hoogste mate, of, in den hoogsten graad, Drentsch: ik zeg ’t oe! God, zeg ik! = mijn lieve tijd! enz.; ’k zeg joe niks = dat behoeft geen nadere verklaring, wij weten er immers alles van; zij zeggen van nijt, ik zeg van al = zij spreken het tegen, of: verzetten zich er tegen, ik beaam het, enz. zōje zeggen = dat zou men zeggen, dat moet wel zoo zijn. Vervoeging: ik zee, doe zeest, hij zee; wie zeeën, of: zeeden. Zie ook: tegen zeggen.
zeist (Westerkwartier) = zegst = zegt gij, en: gij zegt; zegst niks? = zegt gij niets? groet gij ons niet? enz.; zegst jà niks = hoe, gij zegt niets? dat is ongezellig, enz. Vgl. kenst, enz. ‒ zeist ook = zeidet gij.
zee = zei, zeide, ook Drentsch, Zuid-Nederlandsch; wat zee,of: zee’n ie? = wat zeidet gij? wat zee’n zij d’r van? = wat zeiden zij er van? wat zee’e? = wat zei hij? (zee’n, ook gerekt tot zeeën, eigenlijk de meervoudsvorm vóór: ie; het enkelvoud luidt: wat zeestoe?) ‒ hou zee ie? ook zooveel als: wat blieft u? als het eene navraag betreft. Oostfriesch säde, sä. samengetrokken uit: segede. (Zie: dee) ‒ Voor: zee, in de vergelijking:’t regent as de zee, (= dat ’t smakt). Zie ook: boonen.
zeeden (Westerkwartier) = zeeën, zee’n = zeiden; zeeder (Westerkwartier) = zei hij. Zie: der, en dee.
wa’k zeggen wōl, stopwoord, om iets aan te kondigen waarover men wil spreken. Zooveel als: luister, ik heb nog iets te zeggen.
wa’ste zegste! (Stad-Groningsch) = wat ie zeggen! = wel wel! wat hoor ik daar! kan dat waar zijn? Zie: ook: wa’s.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zeggen , zeggen , N(i)eet naor zeggen hören – ongezeggelijk zijn.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zeggen , zeggen , (zwak werkwoord) , Vervoeging: Tegenw. tijd, ik zeg, je zegge, hij zeit (zait), we zegge enz. Verl. tijd, ik zee (en zai), je zeeje (en zaie), hij zee (en zai), we zeeje (en zaie) enz. Verl. deelw. ’ezeid (ǝzait). – Te Assendelft soms in de zin van vertellen. || Ken-je dat spreukie niet? Nou, den (dan) wul ik je dat ers zeggen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zeggen , gezegd , voor zegd * (bldz. 483 en 581); ʼt wordt ook elders gebruikt.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zeggen , zeggen* , hierbij: wat ik joe zeg! (klemtoon op ik) = ik sta voor de waarheid in, ’t lijdt geen twijfel, (men hoort ook dat inplaats van wat), te vergelijken met het Nederlandsch: wat (of: als) ik u bidden mag; doar ’s niks gijn zeggen van = daaromtrent valt niets met zekerheid te voorspellen, er valt (vooraf) niets van te zeggen; ik zeg joe niks! = gij begrijpt wat ik bedoel, ’k behoef u niets meer te vertellen, ook ’k heb joe niks meer te zeggen!; – wat zeg je d’r tegen? = hoe noemt gij dat?
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zeggen , zeggen , N(i)eet naor zeggen hö̂ren – ongezeggelijk zijn.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zeggen  , zegge , zeg, zaes, zaet, zag, gezag , zeggen. Zache, zei hij. Ens gezag blief gezag, helske kepelke de kop aaf, eenmaal gezegd, blijft gezegd. Niks op te zegge, dat is juist.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zeggen , zäggen , ziäär, ezegt; ik zägge, dů zegst, hei zeg, wi, i, zei zängt; ik ziäär, dů ziäärst, hei ziäär, wi, i, , zeggen. Dät zägge ik di: dat zeg ik je.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zeggen , zeg’n , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zegge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: z , zeggen. Zeg’t t u mees!, Neem hem er eens over onder handen; t is eare ezeg as eleg, gemakkelijk gezegd dan gedaan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zeggen , zégge , zén/zin, gezét , zeggen, zei, gezegd.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zeggen , zee , zei; zeeën, zeiden
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
zeggen , zègge , werkwoord , Zeggen. De vervoeging luidt: zègge – zoi/zoide/zee – zoid. Zegswijze ’t mooi zègge kenne, het mooi, geestig kunnen vertellen. – Wa’k zègge wou (en liege niet), wat ik eigenlijk (nog) wilde zeggen, voor ik het vergeet (te zeggen). | Wa’k zègge wou, moete jullie ok te bruiloft? – ’t Stout (stoif, bot) zègge, het boud zeggen, geen blad voor de mond nemen. | We hewwe mooi anzeten, zei’j, wat zeg je er van, is het niet zo.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zeggen , zëgge , zach, haet of is gezach , zeggen. Ėns gezach blif gezach: een man een man, een woord een woord. Dat höbste taenge geine gėk gezach: ik zal er rekening mee houden; ik zal eraan denken. Wie me zaet en wie me zëgge zou, ze zëgge taenge mich de medaaje: zegt men v
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zeggen , zègge , werkwoord , zeggen. 1. Hij zègget en dan is ’t waor. Hij zegt het. 2. Dè’s nie gezeejd (dat is niet gezegd) betekent: het is niet helemaal zeker. Dè’s lang nie gezeejd dè-t-ie vandaog nog langs kòmt. Het staat absoluut niet vast dat ie vandaag nog langs komt. 3. On die rotjòng, daor is gin zègge aon. Over die rotjong heeft niemand iets te zeggen. 4. Ge kunt òm zòò te zègge beejter tien kaoi hònde hèbbe dan êêne rotvènt. Je kunt bij wijze van spreken beter tien kwaaie honden hebben dan één rotvent.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zeggen , zeng , zèè, ezeg , zeggen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zeggen , zeggen , het , 1. gezegde, manier van zeggen Dat was een maal zeggen van hum, waor zie bij was (Eex), Het zeggen was, dat het wal waor is er werd verteld (Sle) 2. aanzegging, melding Ik kreeg zeggen dat ik kommen mus (Bov), ...dat de koenen er oet waren (Hijk), Ik heb er gien zeggen van had (Ruw) 3. berisping, standje Wij heb zeggen had (Dwi), Ik kreeg zeggen, toen ik te laat in hoes kwam (Bor), Hie kun gien zeggen hebben; hie trök vort an de lip (Sle), Hij is een verwend jonggien; hij kan gien zeggen lien (Rui) 4. (kk:Zwig), in Daor hej gien zeggen van dat is niet te voorspellen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zeggen , zeggen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. zeggen Ik heb hum ongezolden de waorheid zegd (Anl), Het was aans, as ze zeden (Sti), Ik heb zo mar wat hen ezegd zomaar wat gezegd (Stu), Zo gezegd, zo gedaon (Ass), Wat a’k zeggen wil en ik liege niet... bij het vertellen van een nieuwtje (Mep), De kinder doet mar en hij zeg er niks van (Klv), En mit dat ik het zee, kwaamp hij der an op het moment dat ik het zei (Dwi), De mèensen zekt zoveule (Hgv), Ik heb niks te veul zegd (Gie), Wat is het wat te zeggen! wat een toestand (Vtm), Dat is niet zegd, dat hij geliek hef is niet zeker (Oos), Die man kan het mooi zeggen kan mooi vertellen (Bro), Wacht nog mor even met de laamp; wij kunt nog wal zeen, waw zegt (Hijk), Hij mot oom tegen mie zeggen (Bco), Daor hebt ze niks van zegd (Sle), Misschien kriew mörgen regen, zeden de berichten (Pdh), Van hum is niks te zeggen er is niets op hem aan te merken (Sle), Kört zeggen gezegd door de aspirant-koper, die de prijs wil weten (Eev) 2. vertellen, inbrengen Hij haf hier niks te zeggen (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zeggen , zeggen , zeggen. (zeg, , zeide, zi, zeide, zèn, zin, zènnen, zinnen, gezeed). wa zittie?, wat zegt hij?, wa zinnie?, wat zei hij?, wa zinde?, wat zei je?, wa zèdde?, wat zeg je?, wa hè’k gezeed?, wat heb ik gezegd?, wa zènnik oe?, wat heb ik je gezegd?, zeide, zei je, wa zinde?, wat zei je?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zeggen , zègen , zeg, zeeg, zegen, ezegd (Kampen, Kampereiland) / e , zeggen. Zeg maar oe ò-j ’t ebben willen: dunne of deur ’n dûkien ‘je kunt het krijgen zoals je het hebben wilt’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zeggen , zeggn , ik zegge / zèè; iej zek / zèèn; hie zeg / zèè; wie zek / zèèn , zeggen. Ik heb ezeg, dât ’t zien eign schuld was.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zeggen , zeggn , waarschuwing. Iej wilt niet naor zeggn luustern, daor wil iej spiet van kriegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zeggen , zègge , zeggen, vertellen , Ik zal't teege de mister zègge wag’ge daor gedôn hét, lulleken aop dé ge zé. Ik zal het tegen de meester Vertellen wat je daar gedaan hebt, lelijke bengel die je bent.
Ik zèg mér zóó, ik zèg mér niks. Ik zeg maar zo, ik zeg maar niets. Te lamlendig om er op in te gaan.
Héij zi dét'tie dé daor nèrgeleed hi, mér és'ter nie li weet ik 't nie. Hij zegt dat hij dat daar heeft neergelegd, als het er niet ligt weet ik het niet.
Voltooid deelwoord gezeed. We hébbe al zó dik gezeed dét'tie dé nie mag, mér’rie duu'get èlleke kiir wir. We hebben al zo dikwijls gezegd dat hij dat niet mag, maar hij doet het telkens weer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zeggen , zeggen , werkwoord , 1. zeggen, mondeling uiten 2. meedelen, beweren 3. noemen, als naam geven, uitdrukken 4. mondeling berichten 5. uitdrukken 6. redeneren, vinden en dat uitdrukken 7. zich becommentariërend uitlaten, kritiek uiten 8. gebieden, bevelen 9. beduiden, betekenen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zeggen , zeggen , zegge , zelfstandig naamwoord , et 1. dat wat men zegt 2. mondeling bericht, tijding 3. aanwijzing(-en), terechtwijzing(en) 4. wijze van zeggen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zeggen , zegge , werkwoord , zeg, zee, gezaaid , zeggen; Iets voor het zegge hebben Iets in te brengen hebben Hij heb nie veul meer voor z’n zegge Hij heeft niet veel meer in te brengen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zeggen , zegke , werkwoord , zaag, gezaag , zeggen , (afw. vorm o.t.t. hër zèt, afw. vormen o.v.t vuur zaagte, zié zaagte) Zw: Vuur te zegke: ongeveer: 't Ês neet roed, 't ês neet broén, 't ês vuur te zegke wie dy brikke dao. Zw: Daan kên v'r zién wat v'r zegke: gezegd wanneer het echt noodzakelijk is het licht te ontsteken. Zw: Dat zèt zich neet: dat behoort men niet te zeggen Zw: Ich zek mer zoe, ich zek mer niks. Zw: Dy zegke zich al jaore niks mie: ze praten al jaren niet meer met elkaar. Zw: Dat hèt niks te zegke: het heeft niets te betekenen. Zw: Op dat mèitske ês niks te zegke: niets aan te merken. Zw: Zek wats te wêts: het zou best eens kunnen; vuur te zegke ongeveer vuur te zegke VB: 't Ês neet roed, 't ês neet broén, 't ês vuur te zegke wie die brikke dao.; verklikken (kindertaal) zegke (zie 'zeggen') VB: Owie, dat gaon ich tiënge mama zegke.; dich en doé zegke tutoyeren (zie 'zeggen') VB: Bié de Pruúsje ês 't neet gebrukelik vuur gaw dich en doé tiëngenèin te zegke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
zeggen , zinde , zinde , zinde, zei je
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zeggen , ie zì , ze zeje; zin ze , zeggen. ie zì (hij zegt), ze zeje (ze zeiden); zin ze (zei ze)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
zeggen , zeggen , (werkwoord) , zeg(t), zei, ezegd , zeggen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zeggen , zegge , zee-gezeet-gezeet ga’d , zeggen , gèget zelf gezeet = je hebt het zelf gezegd- hij mot nie doen of tie ’r niks van af wit, want hij eegut zelluf gezeet ga’d = hij moet niet doen alsof hij het niet weet, want hij heeft het zelf gezegd-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zeggen , zôzegge , zôzegge wordt gebruikt om niet ineens de vraag te hoeven stellen, wordt gebruikt door nieuwsgierige mensen als aanzet om iets te weten te komen , ge zôzegge, waor komde gij vandaon? = je zou zeggen, waar kom jij vandaan?
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zeggen , zégge , ik zeg, zég ik; gèij zegt, , zeggen , Hèij zit er ginnen inne. Hij zegt niets., Hèij zin ’t nie én hèij zigget nog nie. Hij zei het niet., Zégmèr zegmaar. Stopwoord.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zeggen , zômar zëggus , niet gemeend, voor de grap
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
zeggen , zègke , ich zèk, doe zaes, hae zaet, zag, zagte, gezag( , zeggen , Dao zaes se ‘gae’ tieënge. Det is te zègke: bij benadering, ongeveer. Hae zaet mer get. ‘Ich’, zag de gek. Ins gezag blieftj gezag. Waas se mich toch neet zaes! Zègke en doon is twieë: het blijft alleen maar bij praten. Zèk, waat duis se mich noe!: terechtwijzing. Zie zagte zich al maondje geine gojendaag mieë.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zeggen , zègke , werkwoord , ziët, zag, gezagdj , zeggen; gezagdj is gezagdj – wat eenmaal is gezegd hoeft niet herhaald te worden; det zèk ich dich/uch – zo is het maar net; zèk ’t toch nemes – vertel het in godsnaam niet verder; zèk/zèktj – manier van anspreken van iemand van wie men de naam en/of titel niet weet of niet wil noemen; hae luëtj zich niks zègke – hij accepteert geen bevelen of verwijten; neet óm get te zègke – ik wil mezelf (of iemand anders) geen pluim op de hoed steken; waat ein zègke! – zoiets zeg je niet!
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
zeggen , zèk , zie zègke
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
zeggen , zèktj , zie zègke
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
zeggen , zégke , werkwoord , zieët/zeet, zag(t)/zouw(ch)t, gezagdj/gezouw(ch)tj , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; zeggen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
zeggen , zègge , sterk werkwoord , zeggen; verklikken; Dirk Boutkan (1996) - zégge - zee/zi - gezee/gezeed; B Hij zin et teege óns viere - Hij zei het tegen ons vieren. Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'dè wordt gezee'; 'zee-n-ie' (= zei hij); – zégge - zi - gezee (d) B: gezee BvD: verleden tijd zi/zeej; part. gezeej/gezeet; — Praesens: ik zèg / gij/gullie zègt / hij zeej; imp.: zèg; — B verleden tijd : ik zi(n), wij zeë(n), gij zi(n)t; Pierre van Beek - Hij zeeter ginnen êene / hij zeeter nie veul - hij is zwijgzaam, gesloten; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - die hee gezeed; DANB er is niks óp em te zègge - er valt niet op hem te zeggen; hij heej gezee; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ZEGGEN ov. ww - kinderlijke term voor: verklikken, aanbrengen, gecombineerd met 'het' en 'van': dè zak van jou wel 's zegge. A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Part.: in West NBr. 'gezeet', in Oost-NBr. 'gezee'. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw. ww. (verl. tijd ' zei', 'zeen; vd. 'gezeid') - zeggen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEZEED (zachte e): 3e hoofdvorm v. 'zeggen'; in Z. Kemp: gezèèd; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) -  zègge ww - zeggen; dès te zègge - dat wil zeggen (gallicisme); Bosch zegge - (zin, gezeed); zeej - zegt èn zei; Cees Robben – Hier zèèk-zik... Dè ziek-zeej... Wè ziek-zik... ‘k Zèè ziek-zeej... (19570824) ; Cees Robben – Hier zèèk.. zik.. (...) meej zaand... zik... meej zaand zeej..? (19620112); Cees Robben – Gift dan mar limmenade zeej...! (19661021); DANB den brouwer zeej dèt nòg te duur is óm te bouwe; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 97) ge zaagt me wèl mar gezee (t) niks teege me; - 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'zègge' èn enk. verleden tijd : ik zeej, ze zeeje; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEET (zachte e), in 't Z. ook ZÈÈT - in 't alg.: zegt (3e pers. t.t.); zee - van ‘zègge’; 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd, en 1ste en 3de persoon enkelvoud van de verleden tijd; Cees Robben – ‘k Zee “vraokoewiets of zekkoewiets”... (19550716); Cees Robben – “Ieder die z’n asse-kröske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastôôr ’n pekske...”/ zee meneer den kapelaon..... (19550226); Cees Robben – “Vur Paose is ’t paase” zee Snijers... (19550402); Cees Robben – “Unne vliegende schotel”...! / Zee Jaanse ontdaon... (19540925); Cees Robben – “Zeg maokt is mensie,” zee m’n vrouw.../ en affeseert ’n bietje... (19550716); Cees Robben – Wè zee-tie... (19720901); zi, zin - zei(den); Hiernaast komen ook voor 'zeej, zeeje'; Ze zin dèsset nie din. - Ze zeiden dat ze het niet deden. Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'Hij zin dè t ie ...', 'Hij zin mar niks'; – Verl. tijd van 'zégge'; zee met vocaalkrimping; DANB ge zaagt me wèl mar ge zit niks teege me; DANB de mèèd zi dèttie gelèèk ha; Henk van Rijen - ek zit em es goed - ik zei hem eens de waarheid; Dirk Boutkan (1996) - ik zi, gèj zit - hèj zi - wèj zin - gulie zit - zulie zin; CiT (17) 'Zoj zi, zaj zuke '; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 68) zimme (< zinme); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEE (zachte e), in 't Z. ook ZÈÈ, 2e hoofdvorm van 'zeggen'; Bosch zin - Witte wè ze zin? = zeiden; zik - samentrekking: zei ik; Cees Robben – Hier zèèk-zik... Dè ziek-zeej... Wè ziek-zik... ‘k Zèè ziek-zeej... (19570824) ; Cees Robben – Hier zèèk.. zik.. (...) meej zaand... zik... meej zaand zeej..? (19620112); Cees Robben – Hier hedde limmenade zik... (19661021); zidde - zei je; Wè zidde gij? Wè zidde gullie?; Cees Robben - Wè zidde meneer?; — 2e pers. enk. + mv. – Zee(j) verkort tot 'zi': encl. pron.; zèède - van het werkwoord 'zeggen'; zeg jij; Robben gebruikt de oude vervoeging tegenwoordige tijd, van ‘zègge’: ‘zegde’, waardoor schijnbaar een verdubbeling ontstaat. ; Cees Robben – En dè zèède gij... [En dat zeg jij] (19691121); zigget - persoonsvorm + vn. / lw. zei het (na gij/hij/zij/et /gullie); ze zigget zo zachjes; Dirk Boutkan (1996) - gèj zi-get; 2e pers. + 3e pers. enk. 'zi' (verkorting van 'zeej') + vn. of lw. 'et'; - Het fonetisch hiaat tussen 'zi' en 'et' is opgelost door inlassing van de klank 'g', met dubbel teken ter accentuering van de korte 'i'. (Zie Schuurmans: Encl. pron., blz. 22) De A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - § 242; zègget - persoonsvorm + vn. /lw. zegt het (na gij/ge); Ge zègget teege gin man!; - 2e pers. enk. 'zèg' (zonder uitgang) + vn. of lw. 'et'; - Het fonetisch hiaat tussen 'zèg' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g' (zie Schuurmans: Encl. pron., blz. 22); persoonsvorm + voornaamwoord of lidwoord zegt het; Hij zeeget öt zen èège = Hij zegt het uit vrije wil, ongedwongen; - 3e pers. enk. 'zeej' + 'et'; - Het fonetisch hiaat tussen 'zee' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g' waar 'j' thuishoorde (Schuurmans, Encl. pron., blz. 22); De A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; § 242. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ZEGET voor 'zegt het'; z. a. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - 'hij zeiget' resp. 'zeeget' en 'zeget'; zittie - samentrekking: zei hij; Cees Robben - ... zittie mee’n hôôg-rôôi tiesje... (19600916); - zit hij; Cees Robben – Zittie me daor (...) zunne kanis vol te stouwe... (19840224); zisse - samentrekking: zei ze; Cees Robben – Spulle hasse zisse... (19781027); Cees Robben – Van ’t Krèèvent naor ’t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504); zitter - samentrekking: zei er; zie zeeter; Cees Robben – Mar [hij] zitter ginne eene... (19661021); Cees Robben – Ze zitter ginne eene bij die gelegendigheid... (19680920); ezeed; van 'zègge'; gezegd; Verbunt - hij heeget gezeed gehad - hij heeft het gezegd; Henk van Rijen –  'Teegen oe gezeej èn gezwêege' - Tegen jou in vertrouwen verteld. Bosch gezeed - gezegd; WNT ZEGGEN - Naast 'gezegd' komt thans nog gewest. voor: GEZEID, GEZEED
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zeggen , zegge , zag – gezag , zeggen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal