elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zelf

zelf , zölfs , zöls, zöllevers, zeulvers, zuelvers, zuls , 1.zelf; Gron. zuls, zöls, zels. 2. in: daʼs van zölfs enz. = dat spreekt van zelf; ook Gron.: van zuls, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zelf , zulf , zuls, zöls, zulm, zölm, zulms, zölms , zelf. Zegswijs: wie hebben ’t geld zulf (ook: de tied zulf) = wij kunnen ’t wel betalen, schertsend doch zonder te jokken. Eigenlijk zooveel als: wij kunnen over geld of tijd beschikken. Vgl. wij hebben den tijd aan ons. – zij doun ’t wark (’t schoonen, enz.) mit heur zulf = zij doen het zonder hulp van vreemden; wie bin onder ons (of: op) ons zulf = wij hebben op dit oogenblik geen vreemden in huis, waarin dan ligt opgesloten: wij kunnen de huishouding inrichten naar ons goedvinden; doar wi’k zulf bie wezen = daarmee zullen ze mij niet foppen, daar zal ik zelf voor waken, geloof maar dat ik op mijne hoede ben; hij is nijt veur hōm zulf = hij behartigt de belangen van anderen beter dan zijn eigene, hij is lang niet genoeg op eigen voordeel bedacht. Zegswijs: elk veur hōm zulf en God veur ons allen, schertsend zooveel als: ieder moet maar zorgen dat hij zijn deel krijgt, over anderen hebben wij ons niet te bekommeren. Overtollig in: ’k wijt zulf niet wat ’t beste is; hij wijt zulf nijt hou hij d’r mit an mout; ’k wijt zulf nijt hou ’t hijt; dat wijwe van ons zulven wel = dat behoeft niemand ons te zeggen; elk bie hōm zulf = ieder voor zich zelven; zulm, zulms, zölms zelf, zelve, zelven, (Oostfriesch sülm), door de snelle en slordige uitspraak; ’k heb ’t zulm zijn, doan, enz.; da’s ja van zulms (of: van zölms) = dat spreekt immers van zelf. West-Vlaamsch dat spreekt van zelfs; zölm (Veenkoloniën) = zelf. Verbuiging van: zelven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zelf , zelfs , (voornaamwoord) , Vaak voor: zelf gebruikt. Vgl. eigens.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zelf , zelf , (aanwijzend voornaamwoord) , Daarnaast zelfs en zelvers; eertijds ook zelver. || Ik heb ’et zelfs ’ezien. Deer komt ze zelvers. Jantje loopt al op zen eigenste zelvers. Nochtans haddense met moetwil haer Brugge selver afgebroken, SOETEBOOM, Ned. Schout. 47. – Ook: van zelfs. || Dat gaat van zelfs. Van zelfs (natuurlijk) moet ze meegaan. – Aldus ook in verschillende andere dialecten. De vormen zijn ook gewoon bij de 17de-eeuwse Amsterdammers (vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 123 en 154; NAUTA, Aant. op Bredero, § 94).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zelf , zuls* , zulf , vergel.: volk; – nou bin v’endeling ijs onder ons zuls, kiender, want joen mouder was doch aigentliek moar antraud, zou eens een boer gezegd hebben, na de begrafenis zijner vrouw, die hij niet zeer betreurde! Zie ook geld * en tied * (bldz. 569.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zelf , zelfs , (voornaamwoord) , Vaak voor: zelf gebruikt. Verg.: eigens.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zelf  , zelf , Veur zich zelf, eenzelvig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zelf , zölf , zelf. Dät sprek vånzölfs: dat spreekt vanzelf.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zelf , zelf , aanwijzend voornaamwoord , in de zegswijze ze ging van d’r zelf, ze ging van haar stokje, ze viel flauw.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zelf , zėllẹf , zelf. “’t Is baeter de man zėllẹf, ès de bao twėllẹf”: als men er prijs op stelt, dat een boodschap goed wordt overgebracht, moet men het zelf doen en geen bode sturen. Zėllẹf (zie: zėlf) is ẹ gout kroet, mer ’t wis neit in jeederm
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zelf , zölf , zelf, zulf, zulfs, zuls, zolf, zulm, zölm, zölvers , aanwijzend voornaamwoord , Ook zelf (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), zulf (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), zulfs (Zuidoost-Drents zandgebied), zuls (Zuidoost-Drenthe), zolf (Zuidwest-Drenthe, zuid), zulm (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), zölm (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), zölvers (ei), zöls, zölfs (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook uitgespr. als z-llef (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. zelf Ie meut zulfs man kieken, ho of ie dat doun wilt (Bco), Heb ij nog zölfs worstepeggen maakt? (Pdh), Pak zölf mor ies an (Die), Dat zal ik zulf wel bepaolen (Bal), Ik heb het mij zölf verweten, da’k dat edaone hebbe (Dwi), Van de naosleep hej vaak meer ellende dan van de zaak zölf (Hgv), Det mus de baos zölf doen (Ruw), De nestel is niet de veter zölf, maor... (Eex) 2. (zelfst.) Hij völt van hum zölf bezwijmde (Hgv), Jongelu moet op heur zölf wezen een eigen huishouding hebben (Sle), Zie woont bij de kinder in hoes, mor is toch op heur zölf (Eex), Van heur zulf mot ze een Kuper wezen haar meisjesnaam is Kuper (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zelf , zelf , zelf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zelf , zels , (Kamperveen) zelf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zelf , zelns , zelf. Hej dat zelns edaon of heb zoe der an ehölpm?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zelf , zéllef , zelf , Ik weet 't nie mér, zègge ze dan én dan zul'det zéllef ût moete gôn zuuke. Ik weet het niet meer, zeggen ze dan en dan zal je het zelf uit moeten gaan zoeken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zelf , zels , zelf, zellef, zelvers , aanwijzend voornaamwoord , zelf, in eigen persoon, niet m.b.t. anderen, niet door anderen, bijv. Die lopt ’m zels veurbi’j werkt veel te hard, veel te gejaagd; in combinatie met een pers. vn. vaak aaneen: ikkezels, mi’jzels, iejezels enz.; Ze is op heurzels voert haar eigen huishouding
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zelf , zellevers , aanwijzend voornaamwoord , zelf Ik heb ‘t zellevers gezien.
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zelf , zèllef , zelf
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zelf , zelve , gebruikt in “van oew zelve valle”, “bewusteloos neervallen”, flauwvallen. ook “van oew outje gaon”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
zelf , zelluf , zelf
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zelf , zèèlf , zelf , Kom hier, ik doew ’t zèèlf wùl. Kom hier, ik doe het zelf wel.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zelf , zèlvers , zèllevers , voornaamwoord , zelf; Wij doen et zèlvers. R. J. Heeroodes de kôoning kwaam zèlvers veur [uit een liedje op Driekoningenavond]; Cees Robben - Herodus die kwam zellevers veur. [Herodus deed zelf de deur open. Prent over driekoningenzingen. De tekst is ontleend aan een in die tijd bekend driekoningenliedje. (19540109)]; Piet Heerkens - Eerst klopten we aan Herodes z'n deur; en Koning Herodes kwam zellevers veur. (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Driekooningen in Brabant’, 1939); Naarus - Hij [de pastoor] kwaamp zelvers op z’n prikstuultje, en zoo treffend schoon en zó eenvoudig, sprook ie mee z’n parochiaone, dèk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZELVER (uitspr. zellever) vrnw., door sommigen gebezigd voor 'zelf'; WNT ZELF, zelve, zelfs(t), zelven(s), zelver(s) .
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal