elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zelfde

zelfde , zelfste , dezelfste = dezelfde.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zelfde , zulde , zölde, zulfde , zelfde; ’t is de zulde = dezelfde; ’t zulde = hetzelfde; ’t is mie ’t zulde = ’t is mij om ’t even; ’k docht ’t zulde (= ’t ijgenste) wel = dat had ik wel gedacht, dat voorzag ik. Overtollig bv. in: zoo’n zulde houd heb ik kregen; zoo’n zulde peerd het hij koft; zoo’n zulde bōksen har hij an.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zelfde , zulde* , hierbij ook: ’k docht ’t zulde wel = ik heb het wel gedacht, wel verwacht.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zelfde , zellevende , aanwijzend voornaamwoord , Variant van zelfde.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zelfde , zelfd , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t gaat voor ’t zelfd, het gaat zonder extra moeite of kosten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zelfde , zėllẹfde , zelfde. Van ’t zėllẹfde: insgelijks.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zelfde , zölfde , zelde, zolfde, zölde , zölfden , meestal met de, die en het aan elkaar geschreven. Ook zelde (Zuidwest-Drenthe), zolfde (Zuidwest-Drenthe, zuid), zölde (Zuidoost-Drenthe, met rekking in Noord-Drenthe) = dezelfde Dat is zölde dag nog veur mekaar kommen (Klv), Hoe aj het ok dreit of keert, het komp op hetzelde neer (Hgv), Het hef aaid direct dezölfde jurk an as dat ik heb (Oos), Geef mij mar een koppie koffie, as het oe net zelde is als het u niets uitmaakt (Eli), Het binnen altied dezulden, die te laot kommen (Rod), Het is mij precies hetzulfde kan mij niet schelen (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zelfde , zéllefde , zelfde , De pestóór duu gin drie misse vur’t zéllefde géld. De pastoor doet geen drie missen voor hetzelfde geld. Ik leg het geen drie keer uit.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zelfde , zelde , bijvoeglijk naamwoord , zelfst. in ’t Is mi’j ’t zelde het maakt mij niets uit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zelfde , zelde , (bijvoeglijk naamwoord) , zelfde. ‘t Zelde uus. (zelfst. gebr.:) Die kerel stiet tert zelde veur as ikke.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zelfde , zelfjde , (onzijdig) , hetzelfde
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zelfde , zelfdje , zelleje , bijvoeglijk naamwoord , zelfde
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal