elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeugdistel

zeugdistel , [plant] , zeug-distel , hondsbloem. Taraxicum. Eig. zwijne-distel. L. F. barge-blommen, [varkens-bloemen.]
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
zeugdistel , zeudissel , zeugedistel , zie: mōtdiesel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zeugdistel , zoogedîsel , (mannelijk) , Zoogdistel, paardedistel, die gestoken wordt voor de konijnen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zeugdistel , zeugedistel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast ook zeugedissel. Zekere plant. Een soort van grote doorn (distel); melkdistel Lat. Sonchus (VAN HALL, Landh. Flora 111 vlg.; OUDEMANS, Flora 247 vlg.). – Evenzo elders in N.-Holl. en in Gron.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zeugdistel , zeufdissel , zeugedistel , zie mōtdiesel *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zeugdistel , [plant] , zoogedîsel , (mannelijk) , Zoogdistel, paardedistel, die gestoken wordt voor de konijnen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zeugdistel , zoggedissel , zoggedijsel, zoggedeksel , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop), zoggedijsel (KRS: Hout), zoggedeksel (LPW: Lop) 1. (grote) melkdistel (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Lop, Cab, Pols) Een zoggedissel heeft minder grote stekels, en is daardoor als (konijne)voer meer geschikt dan de gewone distel. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden (zog = zeug), wordt het gewas uitsluitend aan konijnen gevoerd. De plant is erg moeilijk uit het land te verwijderen: als je het er op de ene plaats uit trekt, komt het op de andere plaats weer op. 2. (zn) blad van de paardebloem (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Van zoggedijsel is doorgaans sprake als de paardebloem uitgebloeid is. Blijkens de opgave bij Van Veen (1989, p. 147), is zoggedijsel in de Vechtstreek de naam voor paardebloem. Dat is het in het zuiden van Utrecht dus niet. De Kromme-Rijnstreek heeft voor paardebloem het woord *papestoel , in de Lopikerwaard is pèèrdeblom gebruikelijk.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
zeugdistel , zogediesel , kleine zeedistel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal