elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zol

zol , sol , kielwater van een schip, het spoor dat door de vaart van een schip wordt achtergelaten. Ook voor: vaargeul; de snik kwam in ’t sol van de boot en dou gōng ’t makkêlkêr; “Landjevoarders, dei der nou ook deur (door ’t ijs) konnen mit twei en drei peeren veur ’t schip, harren ’t sol nog veul wieder moakt.” Oostfriesch zol, sol. Te Delfzijl noemt men sol de kuil die een schip in het slijk der haven heeft achtergelaten. Komt nl. een vaartuig bij vloed de haven binnen, dan zakt het bij ebbe in de ondiepe gedeelten, in het slik, voor korten tijd eene kleine waterkom als spoor van zijne ligplaats achterlatende. Zie: zolden. – Is het (vraagt ten Doornk.) wellicht één met het uit suohili samengetrokken Oud-Hoogduitsch suoili, suoli (kleine vore), als verkleinwoord van het Oud-Hoogduitsch suohâ (vore, enz.), wat waarschijnlijk uit den tegenwoordigen tijd van suoh, van een oud werkwoord sahan (doorsnijden, snijden) ontstond? Of komt het van een oud sulh, en dit van het Latijn sulcus, dat ook van de vore, die een schip in het water achterlaat, gebruikt wordt, en waaruit ook waarschijnlijk ook het Angel-Saksisch sulh, sul, syl, Oud-Engelsch suluh, soluu, enz., Engelsch sullow, sull, West-Vlaanderen zoll, zeule, zeul = ploeg, werktuig om voren te maken?
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zol , zolden , de boorden van de Westerwoldsche A, die alleen bij hoog binnenwater overstroomd worden, zooals bv. achter Nieuw-Beerta. Oostfriesch sol = de weeke, slijkige, buiten het eigenlijke vaarwater liggende deelen eener havenkom, waar de schepen bij ebbe droog liggen. Kil. sol = poel, laag moeras; Engelsch soil, gewestelijk soal, Angel-Saksisch sol, syl = modderpoel; Nederduitsch soll = poel in de laagten van graanvelden; ook: drassige grond; Middel-Nederduitsch sol = drassige bodem, moeras, poel, Oud-Hoogduitsch sol, Middel-Hoogduitsch sol, söl, Hoogduitsch Sohle, Suhle. Vgl. ’t Latijnsche insula, (Hoogduitsch) Insel = waterland, en met: zout, zolt, Oostfriesch solt, van denzelfden wortel: sal, sar = gaan, zich bewegen, glijden, vlieten, stroomen, enz. Zie ten Doornk. art. sol 1, alsook: sol.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zol , zolden* , ’t Engelsche soll bestaat niet (hoewel ook bij ten Doornk.), ’t zal moeten zijn: soil = modderpoel (gewestelijk soal; Anglosaksisch sol, syl.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zol , sol , de , (md) = ronde, ondiepe heideplas
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zol , sol , gat waarin water staat (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal