elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zowat

zowat , zoowat , (klemtoon op: wat) = ’n gangetje = bijna, niet volkomen, ten deele, gebrekkig, ’t wordt zoowat licht = de dag breekt aan; mit ’t loopen gait ’t nog moar zoowat = het gaan valt mij nog moeilijk, enz.; hij ’s zoowat weer kloar = gedeeltelijk hersteld; da’s moar zoowat = dat kan er niet goed door; ook: daar valt niet op te roemen, bv. op de gezondheid, de verdiensten, de vruchten, enz., alsmede: dat stem ik niet gaaf toe, en in deze beteekenis ook elders gebruikelijk; om vijr uur zoowat = omstreeks vier uur. ’t is moar zoowat om doar ofstand van te doun = ’t valt moeilijk om daarvan te scheiden. Op de vraag: hou is ’t mit hōm? kan het antwoord luiden: zoowat hen, ’n gangetje, ’t is moar zoowat hen mit hōm, (met zwakken klemtoon op: zoo) enz., ook, als versterking: – zoowat en zoowat; d’r is zoowat over proat = er is van gerept, wij hebben er als ter loops over gesproken; zoowat hette’t zegd = hij heeft er iets van te kennen gegeven, het min of meer beloofd; ’k wijt ’r zoowat van = ik weet er iets van; zoowat wijt ik wel wat dat kösten mout = tennaastenbij weet ik, enz. Drentsch zoowat hen = even toereikend, nauwelijks voldoende.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zowat , zoowat* , ook herhaald en daardoor versterkt in beteekenis: ’t is moar zoowat en zoowat = ’t is maar zoozoo; niet verdubbeld komt het in de beteekenis: “’k geef slechts noode mijn toestemming” ook elders voor.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zowat , zoowat , bijwoord , bijna
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zowat , zòwwà , bijna.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zowat , swat , bijwoord , Variant van zowat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zowat , zowat , bijna, ongeveer.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zowat , zowat , bijwoord , 1. bijna Zij hebt hum zowat alles of esteulen (Die), Het was zowat klaor (Ndo), Dat ding is zowat versleten (Eex), Ik har de vis zowat, en toen knapte het snoer (Eri), Hij warkt zowat dag en nacht (Scho), Het was een hondtien van zo zowat, mit een startien van zo zowat zo ongeveer (Hgv) 2. zoiets, zulks Dat zowat nog gebeurt, is ondenkbaar (Bov), Zowat hè’k nog nooit zien (Hoh), Wat zuj van zowat zeggen over zoiets (Oos), Het was een braderie of zowat hen (Sle), ...of zo zo wat iets dergelijks (Hgv), Ze deden mar zowat hen deden zomaar wat (Ker), Hoe was het op de oetvoering? Antw. Och zowat hen het ging (Sle), Wat zal m’ zowat zeggen men daarop zeggen (ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zowat , [ongeveer, dergelijke] , zowà , zowat.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zowat , zowat , bijna
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zowat , zowat , zoewat , bijwoord , 1. bijna, haast 2. ongeveer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zowat , zowat , bijwoord , in de verb. dat ’t zowat dot/dee in hoge mate: ’t Regent dat et zowat dot. Zien heit zo kwiek as zowat dee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zowat , zowat , zoewat , onbepaald voornaamwoord , dergelijke, zoiets als, in of zowat: Misschien een ni’je pette of zowat, ofIets dergelijks
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zowat , zôôwat , bijwoord , zowat
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zowat , zôwa , zôwà , bijna, zowat
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zowat , zowat , zo ongeveer, enig, iets; zowatheen, zo iets dergelijks.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zowat , zoeaget , zoiets, zowat, zie ook intrintj, óngevieër , Höbs se zoeaget oeats gehuuerdj? Thoear liktj zoeaget 15 km van Remunj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zowat , zôowè , bijwoord , zowat; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'zoowè' (passim)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal