elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zulk

zulk , zuk , Zulk.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
zulk , suk , zie: zuk.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zulk , zöks , zuk  , zulke, dezulken; Gron. zōkken, zōkkent, enz. = zulke; zōks, zuks = zulks, zoo iets, Oostfr. süks, Dr. Landr. (1608) II, 19: ofte bij gebreeke van zuks. zulk, Gron. zōk; zukke = zulke, Gron. zōkke = zulke, Oostfr. sülk, suk, sükke, Nederd. sulk, sük, MNederd. solk, sulk, suck, Oudfr. selk, suk, enz., Friesch suk, sok, Wang. Saterl. suk, Eng. such; OHD. sulîk, sulich, enz. MHD. solich, solch, HD. solch, (van het Goth. svaleiks = zóó gevormd, zóó gekenmerkt), uit zoo, en: lich, in ähnlich, enz. en in ons: gelijk, lijken, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zulk , zük , (voornaamwoord) , zulk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zulk , zōk , zuk, zik, zukke , zulk; zōkke = zukke = zulke; ’t is zōk mooi weer; ’k heb zōkke kolle vouten! (klemtoon op het woord.) Drentsch zuk, Oud-Drentsch suck, Overijselsch zok, Zuid-Hollandsch zakke, Oostfriesch sük, sülk; Nedersaksisch suk, sük, Holsteinsch zōk, Noordfriesch sōck, Middel-Nederduitsch solk, sulk, suck, Oud-Friesch selk, suk, enz.; Friesch suk, sok, Wangeroog Saterlandsch suk, Engelsch such; Oud-Hoogduitsch sulîck, sulich, enz., Middel-Hoogduitsch solich, solch, (van het Gothische svaleiks = zóó gevormd, zulke kenteekenen bezittend), uit: zoo, en: lich, in ähnlich, enz., en in ons: gelijk, gelijken, enz.
zukke, Oostfriesch sük. West-Vlaamsch zuk; zuk a man; zukke zaken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zulk , zükkend , (voornaamwoord) , Zulke, meervoud (nooit gevolgd door een subst.). H(i)ee hef ach vissen evangen! Hükkend? Zükkend! Hunend? Hoe een? zonnend!Zoo een! wordt in ʼt enk. gebr.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zulk , zuk , zok , (aanwijzend voornaamwoord) , Daarnaast zok (uitspr. zòk). Zulk. || Zit jij mit zok mooi weer in huis? “Watvoor bedoel-je?” “Nou, zukke.” Hij heb zukke grote handen. – Zuk, vooral in verbinding met van, ook in de zin van: zo iets. || Ik mag zok wel horen. Wat zeg-je van zuk! schande hé? Heb-je ooit van zuk ’ehoord? – Evenzo zegt men ook: zuk slag, zuk soort, zuk werk voor: zo iets. || Je neme ’en pot of vat van zuk slag, en deer doen-je ’et in. “Hoe ziet ’et er uit?” “Ja, dat weet ik niet, hoor. Geel of lichtbruin of zuk soort.” Dat zel wel zuk werk wezen (als men b.v. bij het uitpakken van iets van te voren de inhoud gist). – Zuk, zok, is gewestelijk ook elders in Holl., Friesl., Gron., Oost-Friesl. enz. bekend. Vgl. ook Eng. such. – Van zuk hoort men ook elders in N.-Holl.; men vindt het ook bij de oudere schrijvers. || Van zuk heeft nooit gien krankt (krant) ’eschreven, BETJE WOLFF in De Grijzaard 2, 98. Gaet meê zegh ik, en maekt me van zulk gien mency, HOOFT, Warenar, VS. 1298. – Vgl. ook bijzuk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zulk , zulk , (aanwijzend voornaamwoord) , zie zuk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zulk , zōk* , ook in zōksoort mensken = dergelijke lieden; vergelijk soorteg *. In Holland echter ook: zulk soort dingen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zulk , zukken , zukkent , zie zōkken .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zulk , zükkend , zükkende , (voornaamwoord) , Zulke, mv. (nooit gevolgd door een subst.). H(i)ee hef ach vissen evangen! Hükkend? Zükkend! Hunend? Hoe een? Zonnend! Zoo één! wordt in het enk. gebruikt.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zulk , zuk , zukke, zukken , zulk, zulke
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zulk , zuk , onbepaald voornaamwoord , zukke , zulk, zulke
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zulk , zok , zuk , zulk, voorts ook zokn’t, zuks’n enz.
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zulk , zuk , zok, sok , aanwijzend voornaamwoord , Zulk, zulks, zoiets. | Zuk werk loit m’n wel. Zuk angaan dat ie dee! Zuk wul ik ok wel hewwe. Hei je nag meer van zuk? Zegswijze van zuk of zuk (zoin), van dergelijke dingen. | Hei je nag meer van zuk of zuk? – ’t Is altoid zuk of zuk, het is altijd wat (maar zelden iets goeds).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zulk , zukke , zokke, sokke, zukkens, zokkes, zokkens, zukkers, z , aanwijzend voornaamwoord , Zulke. | Zukke kwaaltjes hew ik ok. Heije nag meer van zukke? | Zukke(n)s hew ik ok. | Zukkers hew ik òk. | Zukkies hew ik òk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zulk , zukke , zulke.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zulk , zokke , zukke , zulke.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zulk , zuk , zok , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook zok (Zuidwest-Drenthe) = zulk Dat is niet wat veur de mindere man, zokke dure reisies (Hgv), Dat was toch zuk klein spul! (Zwig), Nao dat het zuk nat weer west is, vaalt het mai nog niet tegen (Eev), Van zo’n mispunt kun je zukke streken verwachten (Erf), Het waren toch zukke rustige mèenschen (Sle), Wat misselijk van oe um zokke gemiene dingen te zeggen (Bro) *Zok old, zok jonk zo de ouden, zo de jongen (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zulk , zukken , zukkend, zuksen, zokken, zokkend , aanwijzend voornaamwoord , Ook zukkend, zuksen (Zuidoost-Drenthe), zokken, zokkend
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zulk , zuk , zok , (Kampen) zulk. Ook: zok (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zulk , zokke , zukke , zulke. Zokke loeders! Alle bârkn heb ze umezaeg!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zulk , zok , zuk , aanwijzend voornaamwoord , zulk, zodanig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zulk , zok , zuk , bijwoord , in een zeer hoge graad
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zulk , zukke , sukke , aanwijzend voornaamwoord , zulke Hij ha zukke grôôte gaeters in z’n kouse Hij had zulke grote gaten in zijn kousen; Da’ binne zukke mooie dingers Dat zijn zulke mooie dingen; Mè sukke weer? Met dit weer? Sukke betekent in samenstellingen zulk; andere voorbeelden: sukke meñse, sukke dingers, etc.
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zulk , zuk , zok , (aanwijzend voornaamwoord) , zulk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zulk , zukke , zulke , uukke wil d’ebbe, zukke of zukke? = welke wil je hebben, zulke of zulke?- nou gif mar zukke = nou geef maar zulke-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zulk , zuk , zukke, zukkes , voornaamwoord , zulke; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - zukke gaaste; De Wijs – (Op de markt) Motte van zônne hebbe of hedde liever van zukke? (20-03-1968); Cees Robben – Van de zuk of van de zon.? [Zulke of zulke?] (19840921); Cees Robben – Van de zon of van de zuk.. (19630614); - de combinatie drukt uit dat het eigenlijk geen verschil maakt; Cees Robben – [Vrouw tegen dokter:] Niks gedaon is’t mee oe pillen/ Van de zuk of van de zon... (19551217); Cees Robben – Zukkes weer is baomis-weer... (19701009); B zukken (m.) - zulk een; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZUKKEN, ZOKKEN, ZOEKEN bvw. - zulk een, zulke: zukkene man, zokken moeder
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal