elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zweernood

zweernood , swerrenood , als tusschenwerpsel om bv. kinderen schrik aan te jagen; ook verwonderend; dei swerrenood! (Oostfriesch swerenôd, verkorting van: die schwere Noth krijgt.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zweernood , swerrenood* , vgl. het Hoogduitsch Schwernöther = vlegel, onuitstaanbaar mensch, van Nöther = kweller.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zweernood , zwennoord , leeng as de zwennoord, allerverschrikkelijkst liegen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zweernood , sjwere nout , Zware nood = ernstige moeilijkheden. VP 49, waar ook - het mij onbekende - SJWERENAUTER = iemand die in dringende nood verkeert. Ik voel in de uitdrukking (gezien de mentaliteit waarin zij werd uitgesproken) een noodlotselement. Dij zit in sjwere nout = die zit tot zijn hals in problemen van meer dan gewone aard. Ook als uitdrukking in de zin van ontzetting. Sjwere nout, dij zitn aan haals tou in de SORES = TSAROT = moeilijkheden.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal