elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwet

zwet , zwette , zwet , grens, grenslijn, grensscheiding tusschen twee bebouwde perceelen; ook voor de zichtbare afscheiding, hetzij sloot, hekwerk, enz. Dr. Landr. (1608) III, 32: die an dat goet geswettet oft gelandet is; ald.: Oosterswette; id. (1712) III, 70: ook die an dat Goet gezwettet of gelandet is; en: Ooster-zwette; ald. 71: Sibbe gaat voor Mandeeligheit, Mandeeligheit voor Zwette, Zwette voor Binnen-Buur; Binnen-Buur voor Buiten-Buur. Kil. Neders. swette = grenzen van land; Oostfr. swette = grenslijn, grensteeken; Oostfr. Landr. swetgenooten = aangrenzende buren; Oudfr. swethe, swithe, Noordfr. swethe, swette, Saterl. swette. Zie: zwat.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zwet , swet , swette , in geschrifte zwet = grens, grensscheiding, inzonderheid tusschen huizen, tuinen, erven, in ’t algemeen: tusschen twee perceelen wanneer er een zichtbaar teeken voor bestaat, bv. heg, schutting, sloot, muur, enz.; bij groote afmetingen spreekt men van: grens. Ook voor de scheiding zelve, vooral wanneer dit eene sloot is, die dan swetsloot, in geschrifte zwetsloot, heet: answetten = swetten = aangrenzen, belenden; beswet = begrensd, waarvan de grenzen zijn bekend, bepaald, aangewezen. “Ondergeteekenden, zwettende met een gedeelte hunner landerijen aan het kanaal in ’t Waterschap Hunsingo van Mensingeweer tot Wehe”, enz. (1872). “– in deze en eene daaraan grenzende provincie, doch niet in elkander zwettende gemeenten,” enz. (1866). “– terwijl het rijden door de goot wederom ten gevolge heeft, dat de rijpen en stoepen, die aan de goot zwetten, telkens en telkens worden beschadigd.” (Gemeenteraad van Groningen 1873.) Ommel. Landr. V, 55: olde swette; V, 57: afswetten = afpalen; Old. Landr.: onafgeswettede Land = land waarvan de scheiding door niets is aangewezen. Drentsch zwette, zwet = grens, grenslijn, grensscheiding tusschen twee bebouwde perceelen; ook voor de zichtbare afscheiding, hetzij sloot, hekwerk, enz. Dr. Landr. (1608) III, 32: die an dat goed geswettet oft gelandet is; aldaar Oosterswette; id. (1712) III, 70: ook die an dat Goet gezwettet of gelandet is, en: Ooster-zwette; aldaar 71: Sibbe gaat voor Mandeeligheit, Mandeeligheit voor Zwette, Zwette voor Binnen-Buur, Binnen-Buur voor Buiten-Buur. Oostfriesch swette, sweth = grens, grensscheiding: de hege steid midden up de swette. Spreekwoord: Sette geid för swette; Wetten setten swetten; Oostfr. Landr. swetgenooten = aangrenzende buren. Groningen landnoabers, en: swetnoabers. Kil. swetten (Fris.) = grenzen, aanpalen, aangrenzen van landerijen; Nedersaksisch swette = grenzen van land; Oud-Friesch swethe, swithe, Noordfriesch swethe, swette, Saterlandsch swette. Spreekwoord: Van enden en swetten wijten (actief) = afdoening van zaken maken; dei notoarîs wijt van enden en swetten = hij maakt de zaken zoo spoedig gelijk in orde; (passief) = weten, hoe en waardoor een eind aan de zaak te krijgen is en tevens, hoeveel de kosten bedragen; enden en swetten hebben = de zaken geregeld zien, bv. bij eene boedelscheiding. (Bij Swaagman: lenden = grenzen, aangrenzen, en daarvan de verbastering: enden en swetten.) Het woord zwieten komt voor in een Latijnsch stuk van 866, en in een dito suetan, ook suetha van 1083. “Joncker Lambart Tiarda van Starckenborgh, Joncker en Hovelinck, etc.: Bekenne cracht deses verkoft – te hebben – sekere twie jucken en een vierendeel jucken landts, gelegen tot Leens, – en dat selve soo groot en clein, als het in sijn einden en swetten is gelegen sonder de mate daer op te leggen, hebbende tot naester swetten ten noorden de treckwech, ten oosten,” enz. (1693) – “– dat bij het uitbreken van hondsdolheid of slechts vermoedelijke dolheid in eene gemeente het moeijelijk is de zwetten aan te geven, waar zoodanige maatregelen moeten ophouden.” (1869.) Vgl. opswetten, en zie: degensman, en: swad.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Zwet , Zwet , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Naam van een breed water onder Wormer en Jisp, tussen de Poel en de Jisper wegsloot. Zie Kaart v.d. Uytw. Sl. 11 en 12. || ’t Merkerif komt op ’et Zwet uit. – ’t Swedt, LAMS 572 (a° 1595). – Ook elders vindt men wateren, die aldus heten; het geslacht is dan echter vrouwelijk. Het woord betekent grens, grensscheiding, en is in die zin nog in Friesl., Gron., Drente en Oost-Friesl. bekend, naast zwetten, grenzen, belend zijn aan (vgl. MOLEMA 491; De JAGER, Archief 1, 371; KOOLMAN 3, 380; V. HELTEN, Aofri. Gramm. § 123 ß).Zo ook eertijds in Holl. || De Swetten, ofte Schey-sloten tusschen twee Buren ofte Ingesetenen (keur v. Aalsmeer, 17de e.), V. SANTEN, Priv. v. Kennemerl. 309. Die Zwet (water onder Rijswijk), GONNET, Zijlkl. 265 (a° 1485). Van 4 morghen lands up die zwette (onder Berkel of Roderijs), Rek. d. Graf. v. Holl. 2, 25 (a° 1343). – Vgl. swannot en zie zwetsloot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zwet , zwet* , vergel. rid * 2; in Holland de familienaam Zwetsloot.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zwet , zwerre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , drinkebroer
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zwet , zwet , scheiding, meestal door een zwetsloot
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zwet , zwet , zwette , de , zwetten , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook zwette (wm) = grens, grenslijn Oous laand lop tot an de zwet toou (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zwet , zwette , zelfstandig naamwoord , de 1. sloot die de scheiding vormt met het land van een aangrenzende eigenaar of huurder 2. laagte in het land
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal