elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwijd

zwijd , swie , zeer. Swie nat, zeer nat. Swie vulle, zeer veel. L. F. swiid. A. S. swythe, id.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
zwijd , [gezond, zuiver] , zwiet , (bijvoeglijk naamwoord) , men gebruikt dit woord meestal ontkennend, en zegt: ik ben niet al te zwiet, hij is niet zwiet, het zit er niet zwiet; niet gezond, niet rigtig, niet zuiver.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
zwijd , swiet , zwiet , uitermate, buitengemeen, zeer; Gron. swiet = buitengewoon, zeer, veel, zeer veel; Oostfr. swît = zeer, veel, sterk, buitengewoon; Friesch swiedig = veel, sterk, machtig, geweldig; Oudfr. swîde = sterk, veel, heftig. erg; Neders. swied = ruim, veel; Nederd. swied, MNederd. swît, swîde, Saterl. swît, OudS. swîdhi, swîdh, AS. svîdh, svŷdh, OEng. swîdh, Eng. swith, swithe = krachtig, sterk, heftig, rasch, flink, enz. Het Brem. Neders. Wbk. zegt: swied is een overoud maar in het Neders. nog zeer gebruikelijk woord, ’t welk zooveel beteekent als: zeer, in hooge mate, en gebezigd wordt bij dingen en handelingen, die niet alledaagsch zijn. Volgens ten Doornk. één met het Oostfr. swind, HD. geschwind, MNederd. swinde, Nederl. gezwind.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zwijd , [talrijk] , swît , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , [weinig gebruikelijk].
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
zwijd , swît , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , zeer goed, zeer mooi; ’t was ter swît, het was er uitstekend.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zwijd , swiet , zwijt, zwijd , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) = zeer, veel, zeer veel, buitengewoon; da’s jā̀ swiet = dat is iets buitengewoons, dat is verbazend; “’k Hef der veul van heurd (nl. van Parijs), maor ’k had van mien leven nich docht dat ’t zoo swiet was.” (Westerwolde); “nou ik von ’t zwieten mooi.” enz. (Stad-Groningsch) da’s swiete mooi, duur, hoog enz.; “ken joe zeggen dat mie ’t in ’t eerste swiete zeer dee.”; doar is ’n swieten goud = daar zijn buitengewoon veel goederen, bv. in een’ winkel, bij eene verkooping; ’n swieten hōnger, dörst, enz. = groote honger, hevige dorst; dat is te swiet = dat is te mild, te overvloedig, bv. van eene fooi, een cadeau, enz.; liek of ins zoo swiet (= quitte ou double; zie: liek). (Bij Laurm. zwijd = veel; kant zwijd = zeer, oneindig veel, zwijdig = groot, enz.; Westendorp: zwijt, Swaagman swiet: veel.) Drentsch swiet, zwiet = uitermate, buitengewoon, zeer; Friesch swiedig = veel, sterk, machtig, geweldig; Oostfriesch swît, swîd, swîth = zeer, veel, sterk, buitengewoon: Oud-Friesch swîde = sterk, veel, heftig, erg; Nederduitsch swied, Middel-Nederduitsch swît, swîde, Saterlandsch swît; Oud-Saksisch swîdhi, swîdh, Angel-Saksisch svîdh, svydh, Oud-Engelsch swîdh, Engelsch (verouderd) swith, swithe = krachtig, sterk, heftig, rasch, flink, enz. Het Br. Nieders. Wb. zegt: swied is een overoud maar in het Nedersaksisch nog zeer gebruikelijk woord, ’t welk zooveel beteekent als: zeer grootelijks, en bij dingen of handelingen, die de grens van het alledaagsche overschrijden, wordt gebezigd, Angel-Saksisch swithan = machtig zijn, overwinnen; swithe = zeer; swithor = veel, meer, veel meer; swithost = ten zeerste, ten hoogste; swithian = toenemen in macht en sterkte.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zwijd , zwît , Zwît slaon. Geur maken, pronken, zich nogal voordoen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zwijd , swiet , (bijwoord) , Flink, voordelig, voorspoedig. || Dat gaat swiet (het loop vlot af, gaat als van een leien dakje). ’Et staat er niet swiet om (het ziet er niet rooskleurig uit). Zijn zaken gaan niet erg swiet (niet voorspoedig).. – In andere verwante betekenissen (buitengewoon, zeer, veel enz.) is het woord ook in het N. en N.O. van ons land en aangrenzende streken bekend (zie MOLEMA 414 b; GALLÉE 44 b; KOOLMAN 3, 384 b; enz.). Swiet is waarschijnlijk identiek met Ofri. swîthe, Osaks. swîde, hevig, sterk; vgl. Tijdschr. 3, 118 en FRANCK op gezwind. - Zie ook swijdig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zwijd , swiet* , zie ook: swat en vergel. gloepend *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zwijd , zwît , Zwît slaon. Geur maken, pronken, zich nogal voordoen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zwijd , swiet , swiet slaon: groot vertoon maken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zwijd , swiet , 1. vertoon 2. geweldig
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zwijd , swiet , zelfstandig naamwoord de , Deftigheid, pronk, bluf (verouderd). Vgl. Fries swiid = prachtig, luisterrijk, groots.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zwijd , zwiet , swiet , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (wm, dc). Ook swiet = buitengewoon
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal