elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwijn

zwijn , swien , zwijn; die zellen de swienen bejegên (u zullen de zwijnen bejegenen), zooveel als eene bedreiging, ook: zellen die swienen te muite komen (gij zult zwijnen ontmoeten) = als gij het doet zult gij geene aangename ontmoeting hebben, gij zult straf beloopen, en ’t laatste ook als waarschuwing: men zal u hard tegenwerken; iemand ’n swien in ’t ies joagen = hem eene spaak in ’t wiel steken; tusken swien en big (of: bigge) in wezen = tusschen jongeling en knaap in, en, voor zulk een meisje, dan bakvischje, overeenkomende met: te groot voor servet en te klein voor tafellaken; ’t swien zit mit baide veurpooten in de sleutelgoaten van ’t kamnet, zegt de daglooner, als zijn varkentje hem te veel begint te kosten en hij het daarom wenscht te slachten; hij bekeert hōm van swien tot varken, schertsend voor: hij verandert zich in niets, hij blijft dezelfde; “minsken gait ’t net as swienen, as ze vōt (vooruit) zellen dan moje ze an steert trekken.” Spreekwoord: Veul swienen, dunne drank = het Nederlandsch: veel varkens maken dunne spoeling, Oostfriesch Föl swine maken dünne drank, ook Meiderich. Vergelijking: swart as ’n swien = vuil van aangezicht en handen; sloapen as ’n old swien = in diepen slaap zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zwijn , zwien , zie zwienen * 1 en goud * (bldz. 131 II.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zwijn , swien , TL 1006. ’t Liekt net as ’n swien in ’ n jeudnhoes = dat is nu helemaal niet op zijn plaats! Ik heb het nooit gehoord. Dat JEUDNHOES valt op.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
zwijn , sjwèin , onzijdig , sjwèine , vuilik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zwijn , zwien , het , zwienen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. varken As de hoesslachter het zwien dood haar, dan kreeg e een borrel (Bei), Zwienen liggen langoet in de modder (Nor), Dei mensen bint zo ofgunstig, dei kunt nich zein, dat ie een zwien op het hok hebt (Bco), Hij is tuschen zwien en bigge in halfvolwassen (Bov), As men zwienen rop, dan zeg men koer, koer (Vri), Het stiet er op as haor op een zwien van dicht staand koren (ec), As ze met een zwien hen dekken west hadden, sneden ze hum in ’t staart men dacht dat het dan beter drachtig werd (Sle), Die lög as een zwien (Gie), Hij is zo brutaol as een zwien (Erf), Hij is zo dronken, ...vet, ...lui as een zwien (Sle), Hie is zo nustig, ...nat, ...hellig as een zwien (Anl), Hij blödde as een zwien (Bal), Ze zut er oet as een zwien smerig (Eel), Hij is zo gierig as een zwien (Emm), As ie je eigen pottien moet schrappen, zult je nog rare zwienen in de muut kommen zul je nog ontdekken dat dat niet eenvoudig is (Odo), ook Dai zullen ok nog wel ies zwienen bejegenen onaangenaamheden overkomen (N:be:Rod), Hij hef een leven as een zwien in de modder een goed leven (wb), Dat slag as een tang op een zwien slaat nergens op (Bov), Vrouger hadden ze Hamburger zwienen van zo’n 160 - 180 pond; dei gungen naor Duutsland. Hamburgers wurden laoter zolters nuimd (Vri), Een Londens zwien wordt bij oous een zolter nuumd. Die was zo’n 94 kilo (Bal), z. ook zolter 2. van een persoon Dat jong is toch zo’n ondeugend zwien (Erf) 3. geluk As je alle negen kegels omgooien, dan hebben je ain zwien (Vtm) *Een goed zwien vret alles gezegd tegen iemand die iets niet lust (Odo); IJ kunt oet een zwien gien twei ruggen snien of IJ kunt gien drei schinken van een zwien verlangen je kunt geen onmogelijke dingen verlangen (Sle), z. ook bij varken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zwijn , zwien , zwijn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zwijn , zwien , zwijn , zelfstandig naamwoord , et 1. varken 2. man of kind dat zich smerig maakt of heeft gemaakt 3. vervelende, beroerde kerel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zwijn , zwien , (zelfstandig naamwoord) , zwijn.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zwijn , zwiên , zelfstandig naamwoord, onzijdig , zwiêne , zwienke , zwijn
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
zwijn , zwèèn , zelfstandig naamwoord , zwèntje , zwijn; Frans Verbunt (1996) - toevalstreffer bij het biljarten; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWIJN - fig. overdadige en beestachtige mensch; zwèntje - verkleinwoord; zwijntje; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 24) zwèntje; – verkleinwoord van 'zwèèn', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zwijn , zwein , geluk; mazzel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal