elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lelijkerd

lelijkerd , lelkert , leelijkerd. Zie lelk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lelijkerd , lilkert , mannelijk , lelijkerd
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lelijkerd , lellekrd , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kwaadaardig persoon; lellekrs trekng, lelijke gezichten trekken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lelijkerd , lillekerd , zelfstandig naamwoord de , 1. Lelijk persoon. 2. Deugniet. Vgl. Fries lilkert. Zegswijze ’n gnappe lillekerd, ironisch voor een lelijk persoon. – Voor lillekerd staan, voor leugenaar staan, voor schut staan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lelijkerd , leelikkert , mannelijk , leelikkesj , lelijkerd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
lelijkerd , lillijkerd , de , lillijkerds , 1. lelijk persoon, ook gemeen en onbetrouwbaar persoon Zo’n lillijkerd heb ik nog nooit zein (Bov), Die kerel moet ik niet, dat is zo’n lillijkerd (Zwig), Wat een lillijkerd wat een rötzak (Bui), As wij as kinder ruzie hadden, zeden wij: Gao toch weg lillijkerd (Zwin) 2. lelijk gezicht (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Is oe de rabarber te zoer? Ie trekt zo’n lillijkerd (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lelijkerd , lillijkerd , lelijkerd.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lelijkerd , lillijkerd , 1. lelijkerd; 2. kwaadaardig persoon
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lelijkerd , lillikerd , lilkerd , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand met een lelijk gezicht 2. lelijke gelaatsuitdrukking
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lelijkerd , lillekerd , zelfstandig naamwoord , lillekers , lillekerdtie , lelijkerd, gemeen persoon Wees ter voorzichtig mee, ’t is een grôôte lillekerd Wees voorzichtig, hij is een grote gemenerik
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lelijkerd , lellekerd , lelijkerd
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lelijkerd , ljêêlekerd , lelijkerd. een stiekum iemand.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
lelijkerd , ljêêlekers , in de uitdrukking, “ljêêlekers fange”, “gekheid ophangen”, “gekke bekken trekken”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
lelijkerd , lillijkerd , (zelfstandig naamwoord) , lelijkerd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lelijkerd , ljillekerd , niet te vertrouwen persoon, iemand die niet altijd op het rechte pad loopt , da’s ne ljilllekerd wor = dat is iemand, waar je voor op moet passen- die éé d’al jil veul ljilleke dienge uit g’aolt = die heeft al veel dingen gedaan, die niet door de beugel kunnen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lelijkerd , lillikkerd , lùllekerd , 1. rotzak, geniepig persoon, deugniet; 2. lelijkerd. Iemand die niet mooi is. , Dè’s me ne lillikkerd inne. Die persoon vind ik een rotzak. , Tegen kinderen, zogenaamd boos, gezegd: ”Och gèij, lillikkerd”, heeft vaak de betekenis van het vriendelijkere woord ”deugniet”.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lelijkerd , lieëlikert , (mannelijk) , lelijkerd
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lelijkerd , lillekerd , zelfstandig naamwoord , iemand met een slecht karakter; Cees Robben – Ik zeg: nèè lillukkerd... (19650402); - echter ook wel gebruikt om sympathie uit te drukken: Cees Robben – En witte wè den lillukkerd toen zeej... (19671110); WBD onelegant paard, ook (in de Hasselt 'loeves' genoemd); Henk van Rijen – plaaggeest, lelijkaard; Antw. LEELIJKAARD zelfstandig naamwoord w-m- leelijke mensch; WNT LEELIJKERD, leelijkaard - 1) akelig, naar, beroerd wezen, beroerling 3) slecht, gemeen, naar persoon, schurk, booswicht
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal