elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: naargelang

naargelang , naogelang , naargelang.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
naargelang , naorgelang , naogelang , voegwoord , 3e en 4e pers. enk. van het pers. vn. Ook mie (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), mai (Kop van Drenthe) = mij Wat maak ie mij daor bliede mit (Noo), Doe mij nog mor een kop koffie (Gie), Dat vleis dat lust mij niet (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
naargelang , naorgelang , naargelang.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
naargelang , naorgelang , voegwoord , naargelang, naarmate
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
naargelang , norgelang , naargelang
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
naargelang , norgelâânk , naargelang.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
naargelang , naogelang , voegwoord , naargelang
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal