elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nakind

nakind , naokind , het , 1. nakomertje (Zuid-Drenthe) Zie hadden de kinder al groot, toen kwam er nog een naokind (Bor) 2. kind uit een later huwelijk (Zuidwest-Drenthe, zuid) As ze veur de tweide keer trouwden, spraken ie van een naokiend (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nakind , nookeind , nakomertje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
nakind , nookèìjnd , nôkèìjnd , nakomertje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal