elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oefenen

oefenen , oufen , (oefenen). Aldus noemde men vóór dezen de namiddaggodsdienstoefening, in welke de vragen van den Heidelbergschen Catechismus door een leek (in enkele gevallen ook door een vrouw) breedvoerig werden beantwoord. De predikant deed van den preekstoel de vragen, en de oufenoar, oufender of antwoorder, hij die het antwoorden deed, stond voor den lessenaar van den koster. Ook traden deze oefenaars wel zelfstandig op als voorgangers bij godsdienstoefeningen in kerken of andere lokalen. Sints een 60 tal jaren is een en ander bij de Hervormde kerk in onbruik gekomen. Drentsch oefender, oefener = antwoorder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
oefenen , oufen , oefenen, en: oefening, godsdienstoefening. Zie en 6.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
oefenen , öufenen , oefenen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
oefenen , oefenen , oefen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook oefen = oefenen Ze hef de voete uut het gips, maor nou mut ze alle dagen oefen (Noo), Zie bint met het toneel al drok an het oefenen (Anl), De soldaoten bint an het oefen (Dwi), Hij was an het muziek oefenen (Schn)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oefenen , ufenen , oefenen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
oefenen , oefenen , oefenen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal