elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: omlullen

omlullen , omlullen , talmen, omleuteren, als men zich gereed maakt uit of op reis te gaan; hij lult net zoo lank om dat de fuik vōl is. In ʼt Nederlandsch: omlullen = in ʼt wilde over iets babbelen. Zie Gr. Wbk. art. omlullen, en het Groningsch lullen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
omlullen , umlullen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. veel kletsen, mooipraten Ze kan er zo mooi in umlullen (Wap), ...raar in ummelullen vreemde praatjes verkopen (Hav), Hij kan der mooi mit umlullen, maor ie wordt der niks wiezer van (Noo) 2. niets uitvoeren (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drents zandgebied) Zie loop wat um te lullen (Gie), Der komp hum niks uut de haanden, hij lult wat umme (Hav), Hej de gröppe nog niet leeg? Wat zit ie toch umme te lullen? (Die) 3. ompraten Hij lat zich mor zo weer omlullen (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
omlullen , umlullen , ompraten, op andere gedachten brengen. zie ook umproten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
omlullen , ommelullen , werkwoord , 1. doelloos kletsen 2. onderhoudend praten 3. vleiend praten 4. iemand ompraten 5. wel kletsen, niets uitvoeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
omlullen , umlulle , ompraten
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal