elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ompraten

ompraten , umproten , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , ompraten Wij hebt ze umprot um toch mor te blieven (And), Die man is zwak van inhold, hij lat zuk zomaor umpraoten (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ompraten , [op andere gedachten brengen] , umproten , ompraten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ompraten , ommepraoten , werkwoord , 1. ompraten, overreden, overhalen 2. heen en weer praten, veel overleggen 3. verward praten, wartaal uitslaan, ook gezegd wanneer men ijlt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ompraten , umproote , ompraten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ompraten , ummepraoten , umpraoten , (werkwoord) , ompraten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal