elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roe

roe , roek , bij v. Dale = lengte, eind wegs, afstand.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
roe , roe , mannelijk , met haaruitval gepaard gaand schurft bij katten. De kat haet de roe: de kat heeft dysenterie.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
roe , roe , de , roeden, roe , Var. als bij roe I = 1. paal van een hooischelf (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Een heuibarg hadden ze van vier roe, maar er waren er ook van zes roe (Hav), Ik heb met de waogen tegen de rou an zeten (Zey) 2. roede Gerdienen die op een roe hangt, kunt niet deurzakken (Scho) 3. raamspijl De roeden van de ramen bint hielmaol verrot (Sti), Der mut een nei roegien ien de roete (Hgv), Het was vrogger lastig ramen wassen mit al die roegies (Eli) 4. deel van het weefsel, waarover de scheringdraden lopen (Zuidoost-Drents zandgebied) 5. roede van een hengst As de hingst de merrie dekken wol, mus ie de rou der meisttied inlaaiden (Bco), z. ook zweep 6. pijlijzer Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Een roe is um te peilen of er ok brui in het heui zit (Bui), z. ook heuiiez(d)er 7. molenwiek Der is ien roe van de meul kepot (Sle), Zo’n roe weur hielemaole bedisseld (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roe , roe , sausje van bloem en boter.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal