elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roep

roep , [het roepen, bekendmaking] , roep , eene openbare uitroeping. Ondertrouwden worden gezegd hunnen eersten of tweeden roep te hebben, wat elders hun eerste of tweede gebod heet. Het goed i
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
roep  , reup , roep. De reupe kriege, De afroepen vóór het trouwen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
roep , roêpe kriêge , Op 3 opeenvolgende zondagen een aankondiging in de H.Mis krijgen van een voorgenomen kerkelijk huwelijk (r.k.-ritus) Ze hébbe d’n darde roêp al gehad! Ze gaan binnenkort trouwen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
roep , ruip , mannelijk , ruipe , roep; faam; kerkelijk gebod, dat sinds het concilie van Lateranen in 1215 de afkondiging van voorgenomen huwelijken op drie achtereenvolgende zon- of feestdagen gebood. In de ruipe gaon: in ondertrouw gaan. “Hae haet den eesjte ruip gat, meh dat
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
roep , roe:p , huwelijksafkondiging in de parochiekerk op drie achtereenvolgende zon- of feestdagen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
roep , roep , drie zondagen voor de trouwdag. ook onder de gebooi stôn.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
roep , roep , zelfstandig naamwoord , de 1. keer dat er geroepen wordt, echter vooral: huwelijksafkondiging 2. (verz.) wormen, wormsteken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roep , roop , zelfstandig naamwoord mannelijk , reup , - , kerkelijke , (kerkelijke aankondiging van een huwelijk) roop (vero.) Zw: Ze zién ién de reup: ze zijn in kerkelijke ondertrouw.; reup ondertrouw (in kerkelijke ondertrouw zijn) ién de reup zién (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
roep , [reputatie ] , roop , (vrouwelijk) , reup , 1. roep, faam, reputatie 2. huwelijksafroep in de kerk , Hae haet neet zoeane goje roop.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
roep , reup , zelfstandig naamwoord , reupe , zie roop
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
roep , roop , zelfstandig naamwoord , rope , reupke , 1. roep 2. aankondiging van een voorgenomen kerkelijk huwelijk vanaf de preekstoel, die op drie achtereenvolgende zondagen tijdens de mis werd gedaan (1ste, 2dje en 3dje roop); inne roop zeên – werd gezegd van een aanstaand bruidspaar dat enkele weken (de tijd tussen hun 1ste en 3de roep) voor zijn kerkelijk huwelijk stond ook reup zie ook praekstool
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
roep , reup , zelfstandig naamwoord, mannelijk , reupe , huwelijksafkondiging
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal