elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rooien

rooien , reuyen , onkruid wieden. Holl. roeijen, uitroeijen. Holst. Gr. ruden, en ruiden. Isl. at rya, plukken. hefi rûd, ik heb geplukt. Hd. rotten. Isl. at rydia disturbare.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
rooien , rooden , (transitief werkwoord) , rooien, delven, graven; aardappelen rooden, boomen rooden, het onkruid uitrooden, opruimen, zuiveren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
rooien , roon , rooden, van aardappelen, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
rooien , raoën , rooien.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
rooien , róën , (zwak werkwoord) , rooien, wieden, delven.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rooien , rooien , tot overeenstemming komen, ’t eens worden; zij kennen ’t nijt rooien. Zie ook: rooi.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rooien , ruden , woelen in ’t bed en dit zoodoende in wanorde brengen; tegen zoo iemand, en ’t geldt in dezen natuurlijk kinderen, zegt men: bist ’n rudōm; Oostfriesch rüder, rüdewold. – Ook = ruien; fig.: in ’t ruden wezen = er minder gezond, welvarend uitzien, als het eene ongesteldheid betreft die wel langdurig, maar niet gevaarlijk is. (Zie ook: ruden 1.) Deensch rode = woelen, rondwentelen. Kil. ruyten = verdelgen, verwoesten. Alzoo verwant met: roeien, in: uiroeien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rooien , ruden , reujen, reuden , ruden (Oldampt) = reuden (Ommelanden) = reujen (Langewold) = rooien van aardappelen, wortelen, knollen; van aardappelen zooveel als losmaken (oetzetten) en opzamelen. – De uitdrukking: veur ’t ruden te duur wezen, eig. zooveel als: de vrucht is niet zooveel waard als de kosten van het rooien bedragen; fig.: meer schulden dan bezitting hebben. (Men zegt het zelfs van geheele dorpen.) Oostfriesch rüden, Hoogduitsch reuten = uittrekken, uitrukken, enz. Bij Hooft ruiten = plunderen, bij Kil. ruyten en rooven. West-Vlaamsch reiten, reien. bij Kil. reten, en: gruyten. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rooien , rooien , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , Zie de wdbb. In verschillende opvattingen. –1) Uit de bet. op een regel schikken, richten. – a) Passen en meten. || Ik ken ’et zo net niet rooien (zo precies regelen, zo nauw nemen). Rooi ’et maar zo nauw niet (sla er maar een slag naar). Ook Stad-Fri. – b) Mikken (bij het knikkeren). || Je moete op die aâre knikker rooien. Ik rooide niet op jouwes (die van jou). – c) Schatten, berekenen. || Heb ik dat niet goed ’erooid; der benne net glazen genoeg. Alle eten op en toch niemand te kort, dat’s knap ’erooid! Ik rooi, dat-i nou wel gauw thuis kommen zel. – d) Gissen, raden. || Ik zel er maar ers na rooien (raden). 2) Uit de bet. in orde schikken. – a) In orde brengen, klaarspelen, redden. || Zien maar hoe dat je ’et rooit. Heb-je nou al na Zaandijk ’eweest, hoe heb-je ’m dat ’erooid? Hij zel ’et ’em wel rooien; ’t is ’en gauwe vent. Ik ken ’et mit Piet allienig niet rooien, ik moet er ’en aâre knecht bij nemen. Ook in het Stad-Fri. en elders. – b) Het met iemand kunnen klaarspelen, het goed met hem kunnen vinden. || Ze kennen ’et goed mit mekaar rooien. Ik ken ’et mit me broer niet rooien. – Ook bij houtzagerijen van de zagen gezegd. De punten der zaag recht knijpen, zodat ze in de rooilijn komen. – Vgl. rooiijzer. 3) Uit de bet. op een regel geschikt zijn, zodat het een met het ander overeenkomt. – Gelijken. || Hij rooit op zen vaar (vader). Ze rooien wel wat op mekaar, maar ze benne toch niet krek ’etzelfde. Waar rooit dat ok op? Nou hoor, dat rooit er niet na, of: ’t rooit er op gien enden nê (het lijkt er in de verste verte niet op, ’t is heel iets anders).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rooien , roeien , rooien , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – Popjes roeien, kinderen halen; zie pop. Te Oostzaan zeggen enkele oudjes in deze zin rooien. || Hij (de vroedmeester) het zes kinderen bij me wijf ’erooid. – Vgl hardroeier.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rooien , rooien , zwak werkwoord , Wi hebt et erooit: wij hebben het gered
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rooien , roen , werkwoord, zwak , wieden. Earpl roen, aardappels steken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rooien , roojn , werkwoord, zwak , 1 begroten, 2 betrappen, 3 klaarspelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rooien , reuden , rudern , rooien
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rooien , ruden , 1. rooien. 2. ruien (van vogels) 3. sloten schoonmaken. 4. woelen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rooien , rôde , werkwoord , 1. Rooien. | Ze benne te piepers roden. 2. Opruimen, schoonmaken. | We gane murgen zolder rode. Vgl. Middelnederlands róden. Zie het N.E.W. onder rooien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rooien , rooie , werkwoord , 1. Op een regel schikken, richten, passen en meten. | Ik ken ’t zô net rooie. Rooi ’t maar niet zô nauw. Vgl. het N.E.W. onder rooien 1 = in de rooilijn zetten, berekenen, in orde brengen. 2. In orde schikken, redden, klaarspelen | Ik ken ’t allien wel rooie, ’oor. 3. Goed overweg kunnen, kunnen samenwerken. | Die twei kenne ’t goed mit mekaar rooie. 4. Lijken op, eigenlijk op een regel schikken, zodat het een met het ander overeenkomt. | Hai rooit op z’n vader. Zegswijze dat rooit er op, dat ziet er goed uit, dat lijkt erop, dat is dik in orde. – Dat rooit nerges op, dat lijkt nergens op, dat is geen manier van doen. – ’t Rooit kat nach varken, zie de vorige zegswijze – Ze rooie d’r op of ze aarde d’r nei, ze zijn van hetzelfde soort of slag. Vgl. Fries roaije.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rooien , rodden , 1. krabben. 2. fietsen op oud karretje (liefst hard fietsen).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
rooien , rooien , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. klaarspelen, het redden Wie as wie der noe veurstaot, rooit wie het wal mit mekaar (Bco), Wij kunt het goed met mekaar rooien goed met elkaar overweg (Eke), Hij rooit het niet redt (Sle), Wij hebt het mooi erooid mit het weer, alles is dreuge binnen (Bro), Precies op tied, dat he’k mooi rooid (Klv) 2. kant noch wal raken (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Het rooit nargens naor, wat hie zegt (Dwi), ...naarms op... (Row), Het rooit er niet op lijkt er niet op (Hijk), Het rooit er gien haor nao raakt kant noch wal (wb:Bor) 3. rechte lijn houden (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij kan het niet rooien hij slingert er over (Row) 4. mikken (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) IJ moet goed rooien op de neuten met neutienschieten (Sti), Zij wil geern in de raod, daor rooit zij op (Hgv), Ik weet niet waor ij op rooit, maor volgens mij zit ie verkeerd (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rooien , roon , reuden, reuien, rooien, raon , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook reuden en reuien (Kop van Drenthe), rooien (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), raon (Zuidwest-Drenthe) = 1. rooien Vrogger rooiden ze de eerappels mit de vorke, later krabden ze ze uut de grond en nou rooit ze ze mit de mesjiene (Hol), ’s Winters gungen ze wel stobben rooien (Anl), Wij moeten die hege der uut rooien (Eri) 2. steken Aj visken willen, moej pieren reuien (Nor), Ze wilt nog even pieren rooien (Eke), z. ook wuppen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rooien , ruden , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Kop van Drenthe) = krabben De hounder zit aal in toen te ruden (Eev), z. ook rutern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rooien , rooien , volbrengen. dè rooit ie nie, dat krijgt hij niet klaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rooien , rôên , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie rooien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rooien , roenen , (Kampereiland, Kamperveen) wieden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rooien , roojn , taxeren, schatten.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rooien , roen , onkruid plukken, wieden. Wie laagn te roen tussn de riejn eerpels.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rooien , rooien , roden , werkwoord , 1. rooien (van aardappelen, bieten, bomen) 2. een stuk grond afwerken door aardappelen e.d. eruit te halen 3. mikken, richten op 4. taxeren, schatten, schattenderwijs goed uitvoeren 5. klaarspelen 6. juist zijn, lijken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rooien , roeien , ruien, rujjen , werkwoord , rooien en verdelgen, uitroeien, bijv. Ik roei dat onkruud d’r hielemaol uut
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rooien , rooie , werkwoord , rôôi, rôôide, gerôôid , 1. rooien Alle hooistoove langs d’n bôôgerd binne gerooid Alle knotwilgen langs de boomgaard zijn gerooid 2. doorstaan Ze rôôie het goed Ze redden zich best
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
rooien , rooje , volbrengen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rooien , rwôôie , rooien.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal