elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rook

rook , rook , zie: vuur.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
rook , rook , (mannelijk) , röke , rook.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rook , rook , in: oet de rook wezen = zich verwijderd hebben uit de plaats zijner inwoning, vertrokken zijn naar elders. Meestal met ongunstige opvatting: hij moakt dat’e oet de rook komt = hij maakt dat hij ergens komt waar men hem niet kent. – In sommige streken van Duitschland is: rauch = woonhuis, haard, schoorsteen; seinen eigenen Rauch haben, Rauch und Brot haben = een eigen haard bezitten. Het Drentsch had (nog vóór 1848): vuur en rook holden = woonstede, vast verblijf hebben. De uitdrukking zal dus eigenlijk zooveel beteekenen als: hij kan den schoorsteen van zijn vorig verblijf niet meer zien rooken. Vgl. het Nederlandsch – hoewel niet bij v. Dale –: onder den rook (= in de onmiddellijke nabijheid) van de stad. – Zie ook: rookschoor.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rook , rook , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. en vgl. een zegsw. op opspelen. – In rook staan (van het water gezegd), als rookwolken opstuiven. || Wo(e)y seer heviment, dat het waat(e)r somwijle in rook stont, Journ. Caeskoper, 21 Aug. 1705. – Vgl. rookje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rook , rook , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Ook hooirook. Hooistapel. Het gemaaide gras wordt eerst op kleine stapels (hopers, Ned. oppers) geschoven; deze staan over het gehele land verspreid. Daarna brengt men de oppers naar de slootkant en zet ze daar op grotere stapels (roken), die vervolgens in de hooischuit geladen en thuis gevoerd worden. || ’t Hooi is an de rook (staat op roken). – Evenzo in geheel Holl. en waarschijnlijk ook elders; vgl. VAN DALE. Het woord komt reeds in de Middeleeuwen voor. || Item van 143 roke hoys, die quamen van Voerscoten, die roec om 16 d(enier), dat doet 9 pond 10 sc(elling) 8 d(enier), Rek. d. Graf. v. Holl. 1, 48 (a° 1317). – Vgl. voor de verwante woorden in andere talen FRANCK 808 op rook.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rook , rook* , vgl. Nederlandsch (hoewel niet bij v. Dale); onder den rook van de stad.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rook  , rouk , rook.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
rook , rook , als rook, als de rook, zo snel als de rook.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
rook , rouk , zelfstandig naamwoord de , Rook, in de zegswijze as de rouk, heel erg. | Hai speulde op as de rouk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rook , rouk , zelfstandig naamwoord de , Hooihoop of stapel. Zie het N.E.W. onder rook 2. Zegswijze an de rouk zette, (hooi) op hopen zetten. | Is ’t achterstik al an de rouk zet? Vgl. Fries reak.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rook , rouk , mannelijk , rook. Dao geit rouk op: daar is het niet pluis; daar is wat gaande.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rook , rook , roke , de , roken , (Midden-Drenthe). Ook roke (Zuidwest-Drenthe) = gedraaid haverstro Rook is hier een gedreide zele van haverstro die um het lösse stro kwam, dat overbleef van het dörsen met de stok (Hijk), (-) roken um tussen de pannen te stoppen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rook , rook , de , rook De rook slag deel, der komp regen (Eel), Dat is toch gien doen, alleman in de rook zetten (Hol), As der rook uut de schörstien kwaamp, much ie het huus niet uut ezet worden vroegere gewoonte, wanneer men ’s nachts ergens een plaggenhut of iets dergelijks had opgezet (Dwi), Hij woont een heil end oet de rook ver weg (Pei), zo ook Hij is aordig uut de rook etrökken ver weg (Zdw), Hij was mooi op tied de rook oet, toen ze daor ruzie kregen ver weg (Oos), Ie mut zorgen daj uut de rook blieft uit de buurt (Rui), Alles is in rook opgaon (Sti), Hij woont onder de rook van de stad (Row), Het is hier blauw van de rook (And) *Waor rook is is vuur (Dwi); Woor de rook tegen de wind ingait, is de man baos (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rook , róók , rook.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rook , rook , rook
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rook , rôôk , uitdrukking , Van de waainege huize waer de rôôk teege de wind ingaot iste man de baos Van de weinige huizen waar de rook tegen de wind in gaat is de man de baas
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
rook , roük , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , rook , VB: De kachel ês nog wérm genôg, de roük kömp de käomer ién. Zw: 'Oe roük ês , ês oüch vuur', zaag Ûilesjpiégel en 'r wermde z'n han aon 'nne pêrdskuütel.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rook , roewek , rook
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rook , rouk , (mannelijk) , rook , Dao geit niks oet es de rouk: ze zijn zuinig, gierig.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rook , raûk , rauk , rook rauke (raûktj/rauktj, raukdje, geraûkdj/geraukdj) roken; oppe lóng rauke – inhaleren (Duits: rauchen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
rook , rouk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , rook
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rook , rôok , zelfstandig naamwoord , 1. rook; WBD III.2.1:218 'rook' = 'blaak', 'damp'; WBD III.4.4:213 'rook' = damp, stoom, ook 'waas', 'blaak'; 2. rookwaren; Et is me wè - zeej Dorus triest - / ik krèèg gin gèld mir vur rôok... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dè zôn ze wèl wille)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rook , rouk , rook
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal