elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schaarde

schaarde , scheure , scherf.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
schaarde , schaord , schaarte, schaore , scherfje van aardewerk dat er uitgebroken wordt. Bij v. Dale: schaard = kerf of breuk in het scherp van een of ander snijtuig, welke bepaling hier van toepassing is op aardewerk.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schaarde , schäord , schäore , (mannelijk) , schäoren , scherf.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
schaarde , schäorde , schäore , (mannelijk) , schäorden, schäoren , scherf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schaarde , schar , schart, scharte , (verkleinwoord: scharke), schaard, eene kerf of breuk in een snijwerktuig; Friesch scharde, Kil. schaerde, Oostfriesch scharde, schârde, schârte; Nederduitsch schaard, schaerd, Oud-Friesch skerd, Friesch schird, Angel-Saksisch sceard, Oud-Engelsch scheard, Engelsch shard, sherd (keep, inkerving, enz); Oud-Noorsch skardh, Noorweegsch skard, Oud-Hoogduitsch scarti, Middel-Hoogduitsch scharte. Van een Oud-Hoogduitsch scëran, ons: scheren, afsijden, enz. (Zie ten Doornk. art. scharde). – Ook fig.: is al ’n hijle scharte of = er is al een groot gedeelte af, van verbruikt of verloren gegaan. Zie ook: scharte.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schaarde , schar , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Schaard, uitgebrokkeld stuk in het scherp van een snijdend werktuig. || Er is ’en schar uit me schaats. Dat mes zit vol scharren. – Het woord heeft ook in andere Germ. dialecten de korte klinker; vgl. FRANCK op schaard.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schaarde , scharte , zie schar *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schaarde , schaort , [sxōrt] , mannelijk , schäöre [sxǿerә] , schäortien , scherf. Pot en schaort ein aort: de appel valt niet ver van de stam
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schaarde , skar , zelfstandig naamwoord de , 1. Schaarde, hak of kerf in het scherp van een mes, een bijl, een zeis e.d. 2. Stagnatie, oponthoud, pauze (verouderd). Verkleinvorm skartje, in de zegswijze ’n skartje make (bakke), spijbelen. Waarschijnlijk is skartje hier de verkleinvorm van skar = oponthoud, pauze, in de zin van: pauze die men zich ‘illegaal’ toemeet. Doordat men zich deze betekenis niet meer bewust was, heeft men skartje kennelijk opgevat als scharretje (vis), zodat de variant ’n skartje bakke kon ontstaan. – Ientje ’n skartje bakke, iemand beetnemen, bedotten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schaarde , skaartel , zelfstandig naamwoord , Schaarde, kerf of breuk in het scherp van een of ander snijdend gereedschap.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schaarde , sjaart , snijdende punt voor aan de rister.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schaarde , schaorte , de , schaorten , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = scherf Eerder gunge wij altied hoesie speulen met schaorten (Hijk), Schaorten haj in een schaortebuul an een lint um de nekke (Wsv), Schaortien gooien kinderspel, waarbij de spelers om beurten vijf scherven in de hand namen, schudden en dan op de grond gooiden. Van te voren was bepaald, welke (gekleurde) bovenkant winst opleverde. Na 10 keer werd geteld, wie de meeste diggels had (Ruw), Vrogger gungen wij blukpikken met schaorten. De mooiste schaorten waren die met bloempies er op (Bei), Op een blök gooien nuumden wij as kiender schaortie gooien (Koe), Schaortie gooien is op een ofstaand van een strepe gaon staon en dan proberen, zoveule meugelijk schaorten in een vakkie te gooien. Wie de meeste punten had, die had ewunnen (Hol), z. ook diggel(-), scheurtien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schaarde , schaort , gat. mv. schaorden, uitgebroken stuk, inkerving in een mes, opening in een heg.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schaarde , sköre , skaore , zie skärve
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schaarde , schordn , verwilderde duiven.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schaarde , schaorte , schaote , zelfstandig naamwoord , de; grote scherf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schaarde , schaor , schaord, sjaord , scherf; schaortjen, scherfje gebruikt als hinkeblokje bij het hinkelen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schaarde , schaar , zelfstandig naamwoord , kerf of breuk in het scherp van een mes; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAR zelfstandig naamwoord v.- breuk of kerf in de snede van een mes of ' ander snijtuig. WNT SCHAAR (VIII = SCHAARDE 2) Kerf in het scherp van een snijdend gereedschap of werktuig.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal