elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schande

schande , schande , schande.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schande , schande , voor jammer; da’s ja schande! zegt men als iets gebroken of bedorven is, waarvoor elders: ’t is zonde! Op de vraag: wijstoe wel wat schande is? moet het antwoord luiden: dat ’n jonge maid ongen−d tou de wereld oetgait.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schande , [galg, draagriem] , schande , (mannelijk) , Bretel, draagzeel; elders: galg, hulpzeel. ʼn Schande dient niet alleen om de pantalon, maar ook om een kruiwagen enz. op te houden.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schande , schande , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. op affie.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schande , schande , (mannelijk) , Bretel, draagzeel; elders: galg, hulpzeel, ʼn Schande dient niet alleen om de pantalon, maar ook om een kruiwagen enz., op te houden.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schande , schand , schande. Et is ein schand, het is hemeltergend.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schande , schaonde , vrouwelijk , schande. De löie spräkt der schaonde vån.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schande , schande , Kruis-zeel voor kruiers. Galg voor jongens.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
schande , skaande , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , schande. Vuur skaande loopm, er schandalig bij lopen; n skaandemoal doon, onbehoorlijk veel eten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schande , grote schând , v , schande ’t Is grote schând. Het is grote schande( = zeer schandelijk).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schande , skande , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze de skande bedekke, zich zodanig kleden, dat men geen aanstoot geeft of dat men scheurtjes, vlekjes e.d. bedekt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schande , sjaant , tis sjaant, schandalig.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schande , schane , schande.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schande , schaande , schande , de , Ook schande (Zuidoost-Drenthe) = schande Het is een schaande, dat de mensen oe min maakt, as ie de waorheid zegt (Flu), Het was vrogger een grote schaande, aj trouwen mussen (Hav), Het is schaande dat ik het zegge, maar ik mag ze niet (Hol), Die femilie is een schaande veur de buurte (Mep), Der wordt schaande van zegd, ...spreuken dat e der aal tegen opbeuden hef (Sle), Zie praot er schaande van dat e dat wicht zitten laoten hef (Eex), Hij lop mit zien eigen schande te koop (Bov), Deur schao en schaande woj wies (Een), Hij maakt de hele femilie te schaande (Bei), Hij hef hum te schaande eten teveel gegeten (Smi) *Armoe is gien schande (Eri); Schaande dat een kou schit in een dobbe met schoon waoter het is een schande! (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schande , scháánd , schamt , schande. ’t is gróóte scháánd.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schande , schaande , (Gunninks woordenlijst van 1908) schande
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schande , schaande , zelfstandig naamwoord , de 1. toestand waarbij men zich voor iedereen moet schamen 2. iets waarvoor men zich moet schamen, dat tot oneer strekt 3. jammerlijk iets, te betreuren toestand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schande , sjan , sjanne , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , verspillen , (voedsel verspillen) ëte te sjan (sjanne) mäoke (zie 'maken') VB: Sjaoms te dich neet vuur dat ëte te sjanne te mäoke, de sjtiks Slivvenhier nao z'n oüge.; schande VB: 't Ês 'n sjan wie zoe get debié löp. Zw: sjan (of 'sjanne') mäoke: eten verspillen: Ze hebbe mie sjan gemak es gëte.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schande , schàànd , schande
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schande , schâânde , schande.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
schande , skande , (zelfstandig naamwoord) , schande. ‘t Is een skande dä-kt zegge. Uitdr.: Zunde is lèverwörst, skande is metwörst.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schande , schând , schande , Tis nog schând! Het is een schande! , De schând is eraf. De schande is eraf. Er is een minieme winst geboekt vanuit een uitzichtloze positie.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schande , sjanj , (vrouwelijk) , schande , Det is ieëwig sjanj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schande , sjanj , schande; sjanj väöre luuj – de mensen zullen er schande van spreken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schande , schang , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , schande
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schande , schaand , zelfstandig naamwoord , "schande; Tis schaand vur de buurt. - Het is schande voor de buren. MP gez. Den timmerman zen schaand is den schilder zen haand. De schilder moet de fouten v.d. timmerman bedekken; 'k Zie oe toorens aon den ender:/ zo'n schoon monumente zijn d'r/ nergens zóveul as in 't laand/ dè nog ""donker"" hiet! - 't is schaand !; (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Brabant’, 1938); Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Hij heeter gin schaand van; R.J. 'deh noem ik niks gin schaand'; Cees Robben – Mèèn boerinnekes die blèèven/ Van d’n aauwverwetsen staand... / En die draogen nog gin spiekes/ Net as gij juffrouw... ’t is schaand..!  (19600116); Frans Verbunt -  der schaand van praote; Toen hadde die Hannie moete heure: ‘Schaand, schaand, mêer dan schaand’. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. - 'schand' - 1) schande; 2) schaamte; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAND (Kemp. schaand) - schande"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schande , schand , schande
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal