elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schip

schip , schip , (onzijdig) , schépe , schip.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schip , schip , in: schip mit zuurappels = regenbui als die ongewenscht overkomt; ʼt schip mit zuurappels is an wal = de bui begint zich reeds te ontlasten, het regent al. (Zuid-Nederlandsch appelschip = hagelbui.) zij komen mit ʼn kander in ìjn schip, of: schipke = zij zijn het eens geworden, denken nu gelijk; ʼt is ʼn swak schip = die vrouw is zwak, heeft geen sterk lichaam; ʼn mal schip = een raar mensch, inzonderheid: eene wonderlijke vrouw (Het Holsteinsch heeft: oold schip = een oude kerel of: een oud wijf; een good schip = een mensch die bijna idioot is.) Meervoud van schip in de Ommelanden veel: schippen; verkleinwoord, algemeen: schipke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schip , schip , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. Te Oostzaan in verkl. soms skippie. – Zegsw. Het is een schip van bijleg, er moet bijgepast worden, er moet geld bij. Het beeld is waarschijnlijk ontleend aan een koopvaardijschip (of walvisvaarder), dat met verlies voor de rederij voer; men kan echter ook denken aan het bouwen van een schip, waarvan het bestek niet uitkomt. – ’t is het schip van Sinte Karnuite, schertsend gezegd van iets dat niet gereed komt, aan welks voltooiing men twijfelt. Ongetwijfeld een vervorming van het uit de vroegere litteratuur welbekende schip van Sint Reinuit (of Sint Annuyt), waarop alle geldelozen en verkwisters een plaats vinden. Zie HARREBOMEE 3, 329; KALFF, Lied in de ME. 464 vlgg.; VERWIJS, Van Vrouwen ende van Minne, XXIII vlgg. – Zie nog een zegsw. op uitresting.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schip , schip , schip. En schip met zoerĕ appĕls, een regenbui.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schip  , scheep , scheepe , schipke , schip.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schip , schip , onzijdig , scheepe , scheepien , schip
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schip , schepen , 1. schepen. 3. roerkuipen in zetmeelderivatenfabriek
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schip , skip , zelfstandig naamwoord ’t , Schip, in de zegswijze ’t is ’n skip van baileg, er moet geregeld geld bij, het is een kostbare geschiedenis. – ’t Kost ’n skip mit geld, het kost enorm veel geld. – ’t Skip in gaan, verliezen, aan het kortste eind trekken. – ’n Skip mit drie maste, een lastig, druk kind dat steeds de aandacht opeist. Meervoud skepe, in de zegswijze d’r skepe werk van hewwe, er volop werk aan hebben, het er razend druk mee hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schip , sjeep , onzijdig , sjeeper , sjeepke , schip. Sjeepke: wierookdoosje (kerkelijk gebruiksvoorwerp).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schip , sjeep , schip; sjeep trékke, voorttrekken van een trekschuit.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schip , schip , het , schepen, schippen , 1. schip Of en tou komt er nog een schip deur de wieke (Eco), (fig.) Hij zit in het schip in de problemen (Bov), Hij hef de schepen achter zuk verbrand alles achter zich gelaten (Klv), Hij is tusken de waal en het schip terechte kommen (Row), Het schip is met man en moes vergaon (Nor), Hie komp altied mit het leste schip (Ruw), ...met het schip achteran achteraan (Bei), Zie bint in één schip kommen zijn het eens geworden (Anl), Ze kwamen met een hiel schip vol an met velen tegelijk (Bal), Der komp een schip mit zoere appels an regenbui (Hgv), Waor lig ij non met het schip? waar woon je (Sle), Hij hef vaste wel een schip deur de hals laoten glien door drank verkwist (Hgv), Hij hef schoon schip maokt (Eex) 2. (fig.) gezegd van persoon, dier of ding Wat een schip slecht gebouwd paard (Sle), Wat een brutaol schip brutale vrouw (Bal), Wat hef die een groot schip op grote vrouwenhoed (Sle), Hie hef van die grote schepen, ...schuten an grote klompen (Sle) *As het schip met geld komp, krieg ie het (Dwi), ...met glaozen bodem komt... (Erf); Het schip mit geld is in antocht, mar het lig nog neet bij de Echtense meule (Flu), ...het zit nog in Drouwenerzand (Gas); Aj ien keer in het schip zit, meuj varen (Pdh); De wal zal het schip wel keren we zien wel hoever we komen (Die), of ook We zien wel waor het schip strandt (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schip , schip , schip. mv. scheep.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schip , skip , skepen , skepien , schip. D’r kump een skip met zoere appels an ‘er komt een dikke bui’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schip , sjiëp , zelfstandig naamwoord onzijdig , sjiëper , sjiëpke , schip , VB: Ich meng dat m'r vëul mie van sjiëper môs gebruúk mäoke vuur 't verveur. VB: 't sjiëp van de kërk môt hoegnudig 'ns gewit wërde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schip , skip , (zelfstandig naamwoord) , skepien , schip.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schip , sjeep , (onzijdig) , sjeep , sjeepke , schip
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schip , sjeêp , sjeep , zelfstandig naamwoord , sjepe , sjeepke , schip
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schip , scheep , schieëp , zelfstandig naamwoord, onzijdig , scheep/schepe/schieëp/schieëpe , scheepke/schieëpke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); schip
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schip , schaep , schaepe , schip
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal