elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: suikerpeen

suikerpeen , suikerpene , zelfstandig naamwoord meervoud , Zie suikerwortele.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
suikerpeen , suikerpeei , suikerbiet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
suikerpeen , sûikerpeejkes , suikerpeen , Ge héd van die groffe koejpeeje vur't vee, de sûikerpeejkes wôrre vur de mènse. Je hebt van die winterwortelen voor het vee, de suikerworteltjes waren voor de mensen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
suikerpeen , sùìjkerpeej , suikerbiet
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
suikerpeen , suikerpeeje , suikerbieten, de boeren noemden hun suikerbieten peeje , hedde goeje peeje van ’t jaor? = heb je dit jaar een goede opbrengst van je bieten?- nou, ’t zennur miender maar ’t suikergehalte is mjeer = nou, het zijn er minder (dat was dan per hectare) maar het suikergehalte is hoger- suikerpeeje wiere vruger meej pèèrd en kèèr nor de febriek gereje = suikerbieten werden vroeger met paard en kar naar de fabriek gereden (dat noemde men per as)
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
suikerpeen , sèùkerpeej , zelfstandig naamwoord , suikerbiet - Beta vulgaris; WBD I:1417 suikerbieten: 'sèùkerpeeje', 'suikerpeeje'; Frans Verbunt -  gele winterwortel; WBD III.2.3:102 'suikerpeetjes' = kleine worteltjes; WNT SUIKERPEE(N) - 1) in Gron., 't Z-W van N. -Nederl. en 't NW v. België een benaming voor de biet (Beta)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal