elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tiende

tiende , tiende , tiend , bijvoeglijk naamwoord , Ook tiend (Midden-Drenthe als zn.) = tiende Hij mus het tiende part ofstaon (Ker), Bij verhuur van bouwland kreeg de eigenaar de tiende garve (Rui), (zelfst.) Ze mussen eerder een tiend betaolen tiende deel als belasting (Gie), Een tiende muj an de karke geven (Hgv), Die tienden bint vrogger of ekocht (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tiende , tiend , het tiende gedeelte van de opbrengst moest als belasting afgedragen worden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tiende , tiënjdje , tiende
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
tiende , tieëndje , telwoord , tiende
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal