elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toon

toon , teun , "toon, op eenige plaatsen = ¼ van een gewoon blad schrijfpapier; ook dat waarop de scholieren het voorschrift afschrijven. Zie Toon."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
toon , [voorbeeld] , toon , voorschrift waarnaar de leerlingen in de school schrijven leeren. Is thans meestal niet meer gebruikelijk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
toon , toon , (mannelijk) , töne , toon
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
toon , tuin , toonbank in de winkel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
Toon , Toone , eigennaam , Toon
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
toon , teun , m , D’n teun toog, toonbank in een winkel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
toon , teun , streken; flauwe kul, onzin. Waat zeen dat veur dóm teun: wat is dat voor flauwe kul? Dao zuuste teun: daar zie je me wat. Gėkke teun: streken. Teun: term bij het zoochsjlaon. (zie: “Woordenboek van het Sittards dialect
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
toon , toon , mannelijk , toone , töönke , toon; muziekklank. Dat ich gein toon mee van uch höör: laat ik geen geluid van jullie meer horen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
toon , teuntie , toontje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
toon , toon , de , tonen , toon Hij kan goed op toon lezen (Hol), De dirigent gef eerst de toon an (Eli), Hij kan gien toon holden (Klv), (fig.) Mit dat tuug wat hij anhar, vul hij door wal oet de toon (Bov), Die valt hielemaole uut de toon (Ker), Zing mor een toondie leger hou je maar wat gedeisd (Row), Je moet niet zo’n toon anslaon niet zo brutaal zijn (Bal), Die toon van je steet mij niet an (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toon , teun , tóón , toon, klank.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
toon , [bladzijde] , teun , bladzijde (van een schrijfblok of –boek).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
toon , teuntien , toontje. Wie zult ’m ’s ’n teuntien leger laotn zingn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
toon , toon , tone , zelfstandig naamwoord , de; toon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
toon , tôôn , zelfstandig naamwoord , tôône , tôôntjie , toon Hij gaf daer d’n tôôn an Hij gaf daar de toon aan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
toon , toen , zelfstandig naamwoord mannelijk , toene , tuunsje , toon , VB: D'r zynk 'nnen havven toen te lieg, begênt mer 'ns obbenoûts.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
toon , tuun, gekke tuun , streken , (gekke streken) gekke tuun
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
toon , toewen , klank (mooie)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
toon , tone , (zelfstandig naamwoord) , teuntien , toon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
toon , teun , zelfstandig naamwoord , toonbank (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
toon , toean , (toea\n) , (mannelijk) , toeane , tuuenke , toon , Dae haet eine sjoeanen toean op zienen tuba.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Toon , Duër , Tenie, Toeën, Tuën, Tuënke, Twan , Toon
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
toon , toeën , zelfstandig naamwoord , toeëne , tuënke , toon
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
toon , toeën , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , toeëne , tuuënke , muzieknoot, toon
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
toon , tôon , zelfstandig naamwoord , tontje , toon, klank; WBD (III.3.3:85) toon, klokketôon, klaank = klank van een klok; tontje - verkleinwoord; toontje; Cees Robben - èn hij zingt en tóntje lêeger; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ieder bóntje hee zen tóntje, ieder èrtje zen kónsèrtje (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - bonen en erwten veroorzaken namelijk winden; — verkleinwoord van 'tôon', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
toon , toeën , toon
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
toon , tuin , toonbank
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal