elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trens

trens , trens , (zelfstandig naamwoord) , Slag om de oren, klap. || Zo meteen krijg-je ’en trens om je oren. – Ook elders bekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
trens , trênsie , trens (licht paardehoofdstel)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
trens , trens , zelfstandig naamwoord de , Klap, slag. | Hai kreeg ’n trens voor z’n kanis. Zie het N.E.W. onder trens, dat o.a. touw, boei betekende.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
trens , trens , mannelijk , trenze , trenske , vlecht, trens (lus of oog).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
trens , trens , gebit, diël vánt perdstuug; ri-j trens, kopstuk, diël vánt perdstuug.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
trens , trens , treins , de , trensen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook treins (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. soort bit, open in het midden en ringen aan beide einden Zo’n trens drukt niet op de tong en wuur broekt bij een pèerd, dat wiek in de bek is (Sle) 2. spinnetje in het split van een rok etc. (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ik maok mij een trensie in de split van de rok (Gro) Een treinsie um het uutscheuren te veurkomen (Pes), Een trens zat in het buusgat van de rok (Row), z. ook vlooienrikkien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trens , trens , bit in de bek van een rijpaard.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
trens , trens , zelfstandig naamwoord , et; hetz. als spinnegien, bet. 2
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trens , trenske , zelfstandig naamwoord onzijdig , trenskes , - , lus , (aan een knoopsgat) trenske VB: De kraamp van de epolêtte van de sjöttery wörd ién 't trenske vasgezat.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
trens , trèns , zelfstandig naamwoord , WBD (Hasselt) - hoofdstel (van een paard), aldaar ook 'toom' genoemd of 'hoofdstèl'; WNT TRENS (I) - 1) deel v.h. gareel van een paard
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal