elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Trui

trui , trui , gebreide mansborstrok die de plaats vervult van hemdrok. Oostfriesch tröje, tröi = gebreid wollen onderjak voor mannen, zonder knoopen, dat als eene blouse of als een hemd over het hoofd wordt getrokken. Nedersaksisch troje, Middel-Nederduitsch troie, troye, troge, Oud-Noorsch. IJslandsch treya, Noorweegsch tröya, Zweedsch tröja, Deensch tröje, Middel-Hoogduitsch troie, treie. Volgens Lübben e.a. was: troje, troye een deel der wapenrusting, waarschijnlijk een borstharnas tot bescherming van het bovenlijf, zooals ook in Oost-Friesland de tröje vooral door arbeiders en schippers tot bedekking van de borst en het bovenlijf gedragen wordt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
trui , trui , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij schippers en arbeiders. Gebreide mansborstrok zonder knopen, die bij wijze van hemdrok gedragen wordt. Evenzo elders in Holl., Friesl., Gron., Oost-Friesl. enz. Het woord komt ook in andere Germ. talen voor: zie b.v. FRANCK 1036 en KOOLMAN 3, 436.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
Trui , trükke , vrouwelijk , trükkien , konijn
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
Trui , truukie , zelfstandig naamwoord ’t , Konijntje (Dirkshorn).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
trui , triek , trui (mit rits). (WLD III 1.3, 39)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
Trui , troekke troekke troekke , roepwoord voor het konijn
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
trui , trui , truie , de , truien , Ook truie (Zuidwest-Drenthe, zuid) = trui De trui kan vandage haost wèer an, zo kold is het (Hav), Ik heb een wollen trui breid (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trui , trui , tru , tussenwerpsel , Ook tru (Zuidwest-Drenthe) = roepnaam voor een konijn Tru, tru, tru (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Trui , troekie , koosnaam voor een konijn.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
trui , trui , trui
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
trui , trûij , trui , És ge gô fietse zoow ik 'n trûij ôndoen és ik èùw was, t’is verdimmese kaauwe wénd. Als je gaat fietsen zou ik een trui aandoen als ik jou was, het is venijnig koude wind.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
trui , trui , truie , zelfstandig naamwoord , de 1. bekend kledingstuk: trui 2. onnozel meisje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Trui , troekie , troekies , konijn
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
trui , trèuj , trui , Trèùj. Truus, slome vrouw
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal