elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: twee

twee , twee , twije, tweene , (telwoord) , twee.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
twee , twei , tweie , twee; kennen en kennen is twei, zooveel als: ik ken hem, ja, maar niet van nabij, slechts ten deele. Ook: ik zou het des noods kunnen doen maar dan heb, of: houd ik niets over. Zie ook: omvallen. (In samenstellingen leze men ook: twij, en: twai.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
twee , twee , twie , (telwoord) , Van custinge van coep van landt, groet omtrent twie maden off weynich myn (te Krommenie), Hs. T. 49, f° 4 r° (a° 1582), prov. archief. Opten 23 April 1636 compareerden alhier voor weesmeesteren Cornelis Woutersz., vader van sijne twie kinderen met namen Wouter Cornelisz. ende Gerrit Cornelisz., Hs. W. I, f° 49 r°, archief v. Krommenie. – In verbogen vorm ook tweenen. || Kom, jonges, gaan nê skool; ’t is al kertier voor tweene. Ach laat ze (de beide aanranders van Susanna) door een buy van harde koegelsteenen bedompelt zijn, vol schant, op dat zy met hun tweenen daar onder voor het volk verstrekken een Calom (kolom), SLOOFF, Suzanna 52. – Ook in het Stad-Fri. is de vorm twie gewoon.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
twee , twei* , zie ook omvallen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
twee , tweie , twei , telwoord , twee. Twei peerde: twee paarden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
twee , tweeje , telwoord , 2
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
twee , twei , telwoord , Twee.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
twee , tweise , telwoord , Verouderd voor tweeën. | We ginge mit z’n tweise.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
twee , twee , twee.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
twee , twie , twei, twee, twai, tweei , telwoord , Ook twei, twee, twai (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), tweei. Als er geen zn. volgt, ook vormen met -e (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën) = twee Het is zo wis as twie maol twie veer is (Sle), Hij hef een nak as twei aandern dikke nek (Dro), Hij zee, wat wordt de borrel duur, kast er twai kan melk veur kopen (Eev), Het doert twei korten en twei langen erg lang (Nsch), Hie hef een woord veur twie een groot woord (Oos), Op twee maken, dat is net as rimmen, maar dan eerst de scheerturf en dan de kopper, dus um en um techniek bij het drogen van turf (Klv), Neutebomen meut twei bie mekaar staon, anders dreegt ze nich (Bco), Die is zo dik, die mag wel tweei stooulen hebben um op te zitten (Eex), (in verbogen vorm) Ze waren mit zien tweiend (Noo), ...twèeien (Hijk), Hij haf dat stuk sukkelao in tweien broken (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
twee , twéé , twèd , twee, mi twèd, met z’n tweeën.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
twee , tweje , twieje , twee. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: twieje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
twee , twii , twee , És 'n goej begien 't halve wéérek is, hoef’de mér twii kirres te begiene. Als een goed begin het halve werk is, hoef je maar twee keer te beginnen. Doe het dus meteen goed.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
twee , twie , twieje, twee, tweje , hoofdtelwoord , 1. van het aantal twee 2. tweede, bijv. nommer twieje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
twee , twie , twee, twiejen, twienen , telwoord , bijvoeglijk; twee; ook zelfst. gebruikt: in twienen/twiejen/ twenen in tweeën
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
twee , twieje , twie, tweje, twee , zelfstandig naamwoord , de 1. cijferteken twee 2. dobbelsteen, kaart e.d. met twee ogen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
twee , twêê , telwoord , twee Op twêê bêêne staon Zelfstandig zijn
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
twee , twie , telwoord , twee
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
twee , mi z’n twed , met zijn tweeën
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
twee , twii , twee
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
twee , twij , twee.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
twee , twie , (telwoord) , twee. Ik eb twie breurs. ‘t Bint er twie.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
twee , tweej , twi , twee , Tweej kirres rôje. Twee keer raden., Hèij rôjden ’t in twi kirres. Hij raadde het in twee keer.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
twee , twee , in tweeën evallen w(a)ezen, een kind gekregen hebben.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
twee , twieë , twee , Hae drejtj eine cent twieë kieër óm ieër d’r ’m oetgeuftj: hij is gierig. Mèt twieë wuuerd kalle. Nemes kan twieë hieëre dene. Twieë knabbe is ouch geldj: men mag het kleine niet versmaden. Zoea zeker wie twieë en twieë veer is.: men mag het kleine niet versmaden. Zoea zeker wie twieë en twieë veer is.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
twee , twië , twee
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
twee , twieë , telwoord , twee
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
twee , tweej , telwoord , twee; DANB de tweej dötsers kwaame nòr bèùte; Henk van Rijen - 'T-waar dik aon meej die tweej' - ze konden het goed met elkaar vinden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
twee , twieë , twee
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal