elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wang

wang , wange , (vrouwelijk) , wangen , wang.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wang , wang , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. loerwang.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wang  , wang , wengske , wang.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wang , wånge , vrouwelijk , wången , wengchien , wang. Zie: kiènnebakke
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wang , wang , wange , de , wangen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook wange (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = wang Hij was kenbaor an die snee op zien wange (Die), Hij haar een grote moedervlekke op de wange (Dwi), De traonen leupen mien mo over de wangen van het lachen (Bei), z. ook leier 3. één van de beide muurtjes, waarop de kap van de haard aan weerskanten rust (Sle) *Hönnig op brood / Wangen rood (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wang , wang , wang. verkl. wèngske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wang , wange , wang
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wang , wange , wangn , wang, dijk van de wetering
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wang , wange , wang , zelfstandig naamwoord , de, et 1. deel van het gezicht: wang 2. zijkant van bep. vruchten, zoals appels
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wang , wang , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , wange , wengske , wang , VB: 't Kênneke hèt wengskes wie bellefleurkes. VB: De wang van 't véreke wörd ién 't hûidvlèis gedoën.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
wang , wange , (zelfstandig naamwoord) , wang.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wang , wèngske , wangetje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
wang , wang , (vrouwelijk) , wange , wengske , wang , Roeaj wengskes höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wang , wang , zelfstandig naamwoord , wange , wengske , wang; het wang – de wang
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
wang , wang , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , wânge , wengske , wang
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
wang , wèngske , zelfstandig naamwoord , verkleinwoord van ‘wang’ wangetje; Cees Robben – ’t wengske dicht bij moeders wang (19571207)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
wang , wang , wange , wengske , wang
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal