elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wannen

wannen , [graan zuiveren] , wannen , *Hier van daan wanmoolen, een handmolen, die het koorn uitwant.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
wannen  , wanne , wannen. Mit eemes wanne, iemand in het ootje nemen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wannen , wanne , wande, haet of is gewant , wannen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wannen , wanne , graan zuiveren met een platte gevlochten korf.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
wannen , wannen , zwak werkwoord, overgankelijk , zaad schonen met een wan Bij het wannen wuurd met een gaanzeveer het stof der ofveegd (Pdh), Rogge wannen in de wiend en dan flink de wiend er deur laoten gaon (Hol), Even wat rogge wannen, der mot een pong naor de meul (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wannen , wannen , gedorst graan zuiveren, het kaf van het koren scheiden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wannen , wannen , werkwoord , wannen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wannen , wannen , werkwoord , wannen, zuiveren van kaf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wannen , wienen , werkwoord , met de wiene bewerken, het kaf van het koren scheiden met de kafmolen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wannen , wanne , werkwoord , wande, gewand , wannen , VB: Vuur dat ze de wanmuüle hawwe woerte de vröchte mêt de waan gewand.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
wannen , wanne , gedorst graan schonen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wannen , [koren van kaf scheiden] , wanne , wantj, wandje, gewandj , 1. wannen, koren van kaf scheiden 2. iemand met argumenten proberen te overtuigen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wannen , wanne , werkwoord , wanjtj, wanjdje, gewanjdj , 1. wannen, het koren van het kaf scheiden 2. gekheid maken zie ook duilese, dulle, kuite, sjoutere, wuilese
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
wannen , wanne , werkwoord , graan zuiveren, sarren, sollen met
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal