elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zalf

zalf , sallef , Zalf.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
zalf , zalve , (vrouwelijk) , zalven , zalf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zalf , zauf , vrouwelijk , zauve , zéifke , zalf. Dao is gein zauf mee aan te sjtrieke: dat is een verloren zaak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zalf , zalve , zälvie , zalf.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zalf , zalf , zalve, zaalve, zaalf , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook zalve (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), zaalve (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, noord), zaalf (Noord-Drenthe) = zalf Het peerd hef mok an de beinen, der mot zalve op (Bov), (fig.) Daor is gien zalve an te strieken niets helpt (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zalf , záálf , zalf.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zalf , zalve , zalf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zalf , zalve , zelfstandig naamwoord , de; zalf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zalf , zawf , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , zawve , zewfke , zalf , VB: Laor de zawf mer 'ns devan aof, daan kênt de won get druug wërde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
zalf , zallef , zalf
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zalf , zalve , (zelfstandig naamwoord) , zälfien , zalf. Een zälfien is een sukkel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zalf , zalf , zelfstandig naamwoord , zalve , zelfke , zalf; dao is gein zalf aan te strieke – hij/zij is voor geen verbetering vatbaar, daar helpt geen lieve moedertje aan, dat is boter aan de galg gesmeerd
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal