elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zalig

zalig , zaoleg , (bijvoeglijk naamwoord) , zalig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zalig , zeelich , zeeligger, zeelichste , zalig. Wae zeelich wilt sjterve, leet de rėchde erve: lett.: wie zalig wil sterven, laat de rechthebbenden erven. Hae is al zeelich: hij is aangeschoten. Zeelich nuujaor, / de kop vol haor, / de kop vol neete, / zeeve jaor in ’t bët gesje
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zalig , zalig , zaolig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook zaolig (Noord-Drenthe) = zalig Hij mient dat hij daor zalig van wordt gezegd van een harde werker (Dwi), Zalig is een biebels woord (Ruw), Wat is het zalig weer (Emm), Ik wens joe een zalig neijoor nieuwjaarswens, alleen bij rooms-katholieken (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zalig , zaolig , zalig.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zalig , zälig , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. zalig; 2. dronken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zalig , zalig , zaolig , bijvoeglijk naamwoord , zalig: gelukzalig, zeer gelukkig, in bijv. Zalig uutaende! een zeer goede jaarwisseling toegewenst, Et is mi’j wel zalig het is mij wel goed zo, het interesseert me niet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zalig , zaolig , bijvoeglijk naamwoord , zalig , VB: De begyn dy séstig jaor liéje gesjtoürve ês, wörd koëmend jaor zaolig verklaord. Zw: Dao bis te nog neet zaolig mêt: daar ben je nog niet mee klaar.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
zalig , zaoleg , zalig.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
zalig , zieëlig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , zalig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
zalig , zaoleg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , zalig; Cees Robben - de kòffie spuulde de zaolege nòsmaok wèg; zaoleg nuujaor; Cees Robben - ist nie vur oew zaoleghèh, dan ist vur oew straf. Cees Robben - enen zaolege kòrsemes; WBD (III. 3. 3:339) zaolege = heilige; Bosch zaolig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal