elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ziekte

ziekte , ziekte , wanneer van de ziekte gesproken wordt, bedoelt men altijd den typhus, vroeger in Hengelo, de Oldenzaalsche ziekte genoemd.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
ziekte , zeekten , zieekten, züchten , Zie: ma(r)telen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
ziekte , ziekte , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. heimziekte.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ziekte , zeekten , zieekten, züchten , Zie: ma(r)telen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ziekte , zeikte , vrouwelijk , ziekte
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ziekte , zöukte , vrouwelijk , ziekte (bepaalde ziekte?)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ziekte , vallende ziekte , v , periodieke bewustzijnsverlies.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ziekte , ziekte , de , ziekten, ziektes , Var. als bij ziek = ziekte Ik heb van de zeekte verder gien naodiel ehad (Die), Zie hef aaid zeeikte in hoes had (Eex), Aj zeikte onder het vei hebben, is dat schaodelijk (Nor), Hij het een male zeikte (Row), Hij zal het er wel umkriegen, het is een verkeerde ziekte dodelijke ziekte (Ker), Hij is zo hangerig, hij zal wal een zeikte onder de leden hebben (Bov), Hij hef de baankschroeve esmeerd; het ding peep as de ziekte geweldig (Pes), Het waait hier as de zeikte (Bco), Hij is zo brutaol as de ziekte (Wee), Hij knip hum as de zaikte (Eco), Blauwe ziekte vlekziekte (Vtm) *Zeekte van rieke lu en pannekoken van aarme menschen roekt wied hen (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ziekte , ziekt , ziekte.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ziekte , ziekte , zelfstandig naamwoord , de 1. het ziek zijn 2. bep. ziekte, elk der soorten waarin het ziek zijn van mens, dier en plant zich laat onderscheiden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ziekte , zeekdje , zelfstandig naamwoord , zeekdjes , ziekte ook krankheid
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ziekte , zikdje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , zikdjes , ziekte
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal