elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwellen

zwellen , zwullen , zwollen , (werkwoord) , zwellen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zwellen , swellen , (zwellen) = zweren; swellende vinger, borst, enz. Kil. swellen, swillen (opzwellen, dik worden, zweren), Oud-Friesch. swila, Oostfriesch swellen. Eigenlijk = opzwellen. ’t Hoogduitsche schwellen = dikker worden, zich uitzetten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zwellen , zwellen , zwöl, ezwöllen; het zwealt , zwellen. De locht zwealt, wi kriigt onwiäär: de lucht zwelt, wij krijgen onweer
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zwellen , zweln , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zwelle, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , 1 zwellen, 2 donderkoppen vormen, van lucht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zwellen , swelle , werkwoord , Zweren (van een wond). Vgl. Fries swolle.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zwellen , sjwëlle , werkwoord , sjwol, is gesjwolle , zwellen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zwellen , zwöllen , zwellen, zwelen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook zwellen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe, met rekking in Kop van Drenthe, Veenkoloniën), zwelen (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. zweren Zit er een nagel in, dan mot hie er seins uutzwöllen (Smi), De kaok zwelde mij (Nor), z. ook zweren II 2. opzwellen De pootbonen begunt te zwellen (Pes) 3. gezegd van de lucht, als er weersverandering op til is Bie onweer zweelt de lucht (Bco), De locht zwölt, wij kunt wel is dunder kriegen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zwellen , zwillen , zwellen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zwellen , zwellen , zwellen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zwellen , zwelln , ik zwelle / zwölle; iej zwelt / zwölln; hie zwelt / zwol; ieluu zwelt / zwölln; hie is ezwölln , zwellen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zwellen , zwöllen , zwellen , werkwoord , en var.; zweren, één of meer zweren vertonen, bijv. een zwöllende vinger
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zwellen , zwille , zwellen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zwellen , zwèlle , sterk werkwoord , zwèlle - zwol - gezwolle , zwellen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal