elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanbinden

aanbinden , [braken] , ãnbinden , (sterk werkwoord) , ’n kelfken anbinden, braken.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
aanbinden , anbinden , anbinnen, anbienden, anbienen , in: ’t vour anbinden, eig. ’t voer door middel van hooiboom en touwen samenpersen en zoodoende bevestigen; fig. = eene zaak op touw zetten en doordrijven, zooveel als, in goeden zin: de kat de bel aanbinden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanbinden , aanbinden , (anbindǝ) , (sterk werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – Ook overdr. dat zel anbinden, het zal spannen, het zal er aan houden.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanbinden , anbeenn , werkwoord , vastbinden van dieren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanbinden , ánbiene , aanbinden Za’k ’t ’r éfkes goêd vâst ánbiene? Zal ik het er even goed vast aanbinden?
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanbinden , aabénje , bónj aan, haet of is aagebónje , aanbinden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanbinden , anbinden , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aanbinden, vastbinden Ie mut dat peerd beter anbienden (Geb), Hij is kort an ebunden gauw kwaad (Hgv), Die vent moej kort anbinden, anders krieg ie nooit gien geld geregeld manen (Eri), Ik heb de koopman kört anbunden ben niet gezakt met de prijs (Pdh), Je moet de kinder beter anbinden aanpakken (Bal) 2. dichten van zijkanten van een schuur met riet (vroeger stro) De aole schuur mus neudig anbunden worden (Bor), zie ook anbindsel 3. al bindend de maaier bijhouden Keuj anbienden (Die), ...een zende anbienden (Dwi) 4. aanleggen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hoe ik dat bij hum mudde anbinden, dat weet ik noch niet (Flu) 5. opbinden Ik zal de pronkerse bonen even anbinden (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanbinden , anbienen , werkwoord , 1. aanbinden 2. aangaan: van een zaak, een proces
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanbinden , añbinge , werkwoord , bing an, bong an, añgebonge , aanbinden Bakkers binne kort añgebonge meñse; ze staon zôôgezaaid kort voor de waoge Bakkers zijn kort aangebonden mensen; ze zijn opvliegend
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanbinden , [overdrijven] , anbienden , overdrijven.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
aanbinden , ònbèène , sterk werkwoord , ònbèène - bond aon - òngebonde , aanbinden; Dirk Boutkan (1996) - (41-42) ònbèène - bènd er dees mar aon; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANBIJNEN - aanbinden (Kempen)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal