elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanbranden

aanbranden , aanbranden , (anbrandǝ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Zegsw. Dat zel anbranden, dat zal onaangename gevolgen hebben. || Heb-je te water ’elegen? dat zel anbranden, as je thuis komme. – An’ebrand wezen, boos zijn. || Hij is gauw an’ebrand. Evenzo elders in Nrd.-Holl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanbranden , anbraann , werkwoord , aanbranden. t Braandt oe wan de panne, je krijgt het lid op de neus
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanbranden , aanbrenne , brende aan, haet of is aangebrent , aanbranden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanbranden , anbraan , braan an, an ebraand , aanbranden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aanbranden , anbranden , zwak werkwoord, overgankelijk , aanbranden Hier braandt dunk mij ok wat an, het ruk hier tenminsen zo anbraanderig (And), Is joe de boel anbraand! (Smi), Dennen is ok gauw anbraand gauw kwaad (Pdh), Hij lat wat anbraanden past niet goed op (Die), Jan en Geesien hebt de zaak mooi anbranden laoten ze moeten trouwen (Oos), of Hij het het vuurtie zo haard stookt dat het anbraand is (Row), Bij Gèertie is het ook an ebraand ze is zwanger (Rui) *Moe, de soep is an ebraand, goo de pot maar an de kaant (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanbranden , aonbráánden , aanbranden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
aanbranden , ônbrande , aanbranden , Ge moet wél ûtkiike dé't vlis nie gi ônbrande, strak kun'de alles wèggóóje. Je moet wel uitkijken dat 't vlees niet gaat aanbranden, straks kun je alles weggooien.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aanbranden , anbranen , werkwoord , 1. aanbranden 2. moeten trouwen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanbranden , añbrande , werkwoord , brañd an, brañde an, angebrañd , aanbranden, geraakt zijn Je mô niessôô gauw añbrande, die meñse bedoele ’t goed Je moet niet zo snel geraakt zijn, die mensen bedoelen het goed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanbranden , ônbrààne , ônbràànde , aanbranden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aanbranden , anbrannen , (werkwoord) , aanbranden. De eerpels bint an-ebrand; Uitdr.: Die man is rap an-ebrand ‘die man is gauw kwaad’. Zie ook: anbakken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanbranden , ònbraande , zwak werkwoord , ònbraande – braande(n) aon - òngebraand , aanbranden, ook figuurlijk; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANBRANDEN - ombrane wkw (branden on, ongebrant): De pan is aangebrand; het riekt daar aangebrand (naar iets dat aanbebrand is)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal