elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanlangen

aanlangen , ãnlangen , (zwak werkwoord) , aangeven.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
aanlangen , anlangen , (zwak werkwoord) , aangeven, afgeven; lang mij de eerpel ens an, geef mij de aardappels eens aan. Wi’j dat bi Jansen anlangen (ook òflangen), wilt ge dat bij Jansen afgeven.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
aanlangen , anlangen , ter loops, in ’t voorbijgaan afgeven van een’ brief, enz. Het veronderstelt dat men alsdan van eene bijzondere gelegenheid gebruik maakt; een’ vriend verzoekt men het voorwerp bij iemand an te langen; den bode gelast men het of te langen (af te geven); iemand die rijdt spreekt steeds eigenaardig van: oflangen. (Weil. aflangen = afreiken, van boven toereiken.) De gauwdief zegt: lang of! = geef over, geef op. Voorts: toulangen = overreiken, toereiken, aanreiken; oetlangen, ook = afgeven, maar dan moet er iemand zijn die het afhaalt, bv. een boek; sloag oetlangen = slaag uitdeelen; oplangen = toereiken van beneden naar boven, bv. van korenschooven; overlangen = toereiken, bv. van een kopje koffie, den tabakspot, enz. aan de om den haard zittenden, en daarvoor ook: overhoaken. Zeeland langen = aanreiken; Maastrichtsch langen = reiken, overreiken; euverlangen = overgeven, overreiken; Oostfriesch langen = reiken, toereiken, overreiken; offlangen = afgeven; tolangen = toereiken; Deensch lange til = toereiken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanlangen , aanlangen , (anlangǝ) , (zwak werkwoord, transitief) , Iemand iets anlangen, aanreiken (zie Ned. Wdb. I, 215). Ook van zeer zware dingen. || Ik zel ’em strakkies die baal rijst wel effen anlangen (bij huis aanbrengen).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanlangen , anlangn , werkwoord, zwak , aanreiken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanlangen , aanlangen , toereiken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
aanlangen , anlangen , aanreiken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
aanlangen , anlangen , langen an, an elangd , aanreiken, aangeven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aanlangen , anlangen , zwak werkwoord, overgankelijk , aanreiken Woj mij dat stuk iezer even anlangen? (Klv), Ik zal het morgen wel èven bij oe anlangen (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanlangen , anlangen , werkwoord , aanreiken, overhandigen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanlangen , añlange , werkwoord , lang an, langde an, añgelangd , aangeven Kneeles lang mijn de kôôlof is an Kees geef mij de hak met lange steel eens aan Zie añhoeke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanlangen , anlangen , (werkwoord) , langen an, an-elankt , aanreiken. Zie ook: angèven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanlangen , anlangen , geven (Hattem).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
aanlangen , aanlânge , werkwoord , aanreiken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal